Centraal werkgeverschap
De instelling van een diocesane werkgeverskoepel voor pastoraal werk(st)ers in de bisdommen Groningen-Leeuwarden en Haarlem heeft gevolgen voor de (rechts-)positie van de pastoraal werk(st)er. Op verzoek van de Landelijke Kommissie Rechtspositie studeerde kerkjurist dr. R.G.W. Huysmans op de gevolgen van de invoering, en schreef daartoe het onderstaande artikel.
Van Dr R.G.W. Huysmans, Amsterdam, 18 September 2008
NOTITIE voor de LKR n a.v. het centraal werkgeverschap
Als kerkjurist ben ik niet alleen geïnteresseerd in recht en rechtvaardigheid, maar ook in hoe mensen in de communio van de kerk, en communio duidt op een verhouding van wederkerigheid, met elkaar verbonden zijn, elkaar vertrouwen geven en met elkaar omgaan. In het onderhavige geval is het van belang, dat de kerk in een bisdom via haar pastor, de diocesane bisschop, en de pastoraal werkers zich wederkerig met elkaar verbinden. Daarom het volgende.
1. De CIC van 1983 biedt aan de RK (Latijnse) Kerk voor een belangrijk deel hetgeen concreet in de communio van deze kerk mogelijk en daarbij wenselijk en voorgeschreven is vanuit de vernieuwingen van, rond en na Vaticanum II (1962-1965). Hij levert de toepasbare ecclesiologie (kerkleer). Daarnaast bestaan de gewenste ecclesiologie, die katholieken willen, maar niet verwezenlijkt wordt, omdat zij niet in het recht een erkende mogelijkheid wordt, en de ecclesiologie, waarover in de kerk gestreden en of naar gezocht wordt en voorlopig in dat stadium van strijd of zoeken blijft.
2. Tot de toepasbare ecclesiologie behoort volgens Boek II van de CIC, Volk Gods, dat een diocesaan bisschop katholieke theologen kan benoemen in pastorale ambten in zijn bisdom (cc. 228,1 en 150). Zij treden in een bijzondere ‘servitium’ van de kerk, dienen goed gevormd te blijven en hun opdracht getrouw uit te voeren (c. 231,1). Bovendien dient er financieel en sociaalrechtelijk goed voor hen te worden gezorgd, onder verwijzing naar het burgerlijke recht van het land (c. 231,2; verg. c. 1286).
De CIC omvat dus twee lijnen: benoembaarheid van geschikte katholieke theologen in pastorale ambten en passende, sociale rechtsregelingen voor hen. Eerst de benoembaarheid.
3.Pastoraal heeft hier de brede betekenis van een bijzondere deelname aan de pastorale zorg van de kerk om haar (aspirant) gelovigen en hun gemeenschappen geestelijk, materieel en juridisch te leiden (vooral uitgewerkt in Boek II van de CIC: Volk Gods, Deel II Hiërarchische inrichting van de Kerk), te onderrichten (uitgewerkt in Boek III van de CIC: Verkondigingstaak) en te heiligen (uitgewerkt in Boek IV van de CIC: Heiligingstaak).
4. De eerste beslissing, die in verband met een ambt een diocesaan bisschop in ons land treft ten aanzien van een katholiek theoloog (m/v) is, dat hij hem of haar op diens verzoek hiertoe geschikt (verg. CIC c.149,1) acht na een diocesane toetsing. Indien iemand dat diocesaan onderzoek positief doorkomt, is de regel, dat andere bisdommen, dat later niet herhalen, tenzij er bijzondere redenen voor zijn, maar overnemen. De bisschoppelijke beslissing van geschiktheidverklaring heeft een hoog geestelijk gehalte en tegelijk een rechtgevolg: een diocesaan bisschop van de kerk verklaart na onderzoek, dat een bepaalde katholiek geschikt is voor pastorale ambten in de kerk, niet alleen in zijn bisdom. Zo iemand, voortaan kerkelijk benoembaar, behoort nu tot het album van in dit bisdom en in de kerk benoembare katholieken.
5. Kerkrechtelijk is er eerst een ambt en dan een geschikte persoon erin. Ambt is in het kerkelijke leven geen abstract of algemeen (dus niet hét bisschopsambt, of hét pastoorsambt, of hét ambt van pastoraal werker), maar een concreet en afzonderlijk gegeven (het ambt van vicaris generaal van het Bisdom Eefde, het ambt van pastoor van de Isidorus Parochie in Weelde, het ambt van pastoraal werker in de vier samenwerkende parochies in Zuid Weelde). De wetten en regels over de verschillende ambten zijn wel algemeen en abstract, een ambt zelf is dat nooit. Men kan spreken van een ambt als standplaats: dit duidt dan het geografische aspect aan van een ambt als geestelijke werkelijkheid en daarmede het ambt zelf.
6. Kerkelijke ambten beantwoorden aan de pastorale noden en behoeften van als publieke kerkelijke rechtspersonen erkende gehelen ofwel gemeenschappen van personen in de kerk (zie CIC cc. 115-116), dat zijn de bisdommen en parochies. Ambten zweven dus niet in of boven de kerk, maar zijn gericht op dienst aan gemeenschappen. C. 145,1 omschrijft dit verschijnsel als volgt: “Een kerkelijk ambt is elke taak krachtens hetzij goddelijke hetzij kerkelijke ordening duurzaam ingesteld, uit te oefenen tot een geestelijk doel”. De laatste woorden wegen heel zwaar: het geestelijke doel is dienst aan en opbouw van de erkende gemeenschappen. Men kan het ook pastoraal noemen in de brede betekenis van n. 3 hierboven.
7. Taak kan men hier praktisch vertalen met een functie met opdrachten, plichten en rechten. In een kerkelijk ambt gaat een katholiek “binnen de van te voren vastgestelde grenzen namens de Kerk, volgens de voorschriften van het recht, een hem of haar toevertrouwde taak vervullen” (ontleend aan c. 116,1 over publieke rechtpersonen). Vele ambten, niet alle, vormen in de kerk voor de dragers ervan vaste, betaalde werkkringen ofwel jobs.
8. Een ambt heet volgens c. 145,1 duurzaam ingesteld. Dit betreft de objectieve duurzaamheid er van. Bij de instelling van een ambt wordt voorzien, dat dit ambt voor enige, verder niet bepaalde tijd nodig is, al hoeft dit niet voor de eeuwigheid te zijn. Indien aan iemand een kortlopende taak wordt toevertrouwd, is er geen sprake van ambt. Daarnaast en onderscheiden van de objectieve duurzaamheid van een ambt (de twee, objectieve en subjectieve, zijn niet hetzelfde) is er de subjectieve duurzaamheid van een ambt, het hoelang iemand in een ambt, dat hem is toevertrouwd, blijft. De CIC regelt dit in de cc. 184-196 over Verlies van een kerkelijk ambt. In het kader van de CIC heeft een pastoraal werker in het algemeen een ambt, dat volgens de rechtsvoorschriften aan iemand wordt toegewezen naar het wijs oordeel van de bevoegde diocesane bisschop, zodat deze volgens c. 193,3 om een goede reden, naar zijn oordeel, een dergelijk iemand daaruit kan verwijderen, volgens c. 192 met inachtneming weliswaar van de mogelijk contractueel verworven rechten. .
Het RPW voor de Nederlandse bisdommen regelt op een eigen, van de CIC losstaande wijze het verlies van een kerkelijk ambt voor de pastoraal werkers, zodat ik de CIC hierover verder laat zitten. Het RPW heeft de CIC in deze overvleugeld ofwel buiten werking gezet, zodat er op een enkel punt zelfs tegenspraak is tussen de CIC en het huidige RPW.
9. Als er kerkrechtelijk eerst een ambt is en dan pas iemand erin, hoe ontstaat dit dan? Een aantal voor de kerkelijke gemeenschappen noodzakelijk geachte ambten zijn ingesteld door schepping van een publieke kerkelijke rechtspersoon als geheel van personen (zie CIC cc. 115-116), waarin zij genesteld zijn. Bij de pauselijke oprichting, van rechtswege omvattende publieke rechtspersoonlijkheid (c. 373), van het Bisdom Eefde zijn tegelijk de ambten ingesteld van diocesaan bisschop, van vicaris generaal, van econoom, van officiaal enz. van dat Bisdom Eefde. Bij de bisschoppelijke oprichting, van rechtswege omvattende publieke rechtspersoonlijkheid (c. 515,3), van de Isidorus Parochie in Weelde, is tegelijk ingesteld het pastoorsambt van die parochie. De rechten en plichten van die ambten staan beschreven in het kerkelijk Wetboek. Andere ambten worden ingesteld door de diocesane bisschop, zoals moderator van het officialaat, kapelaan van de Isidorus Parochie in Weelde, pastoraal werker voor de vier samenwerkende parochies in Zuid Weelde. Daarbij kan de bisschop voor een deel verwijzen naar de rechten en plichten, geformuleerd in het kerkelijke Wetboek (b.v. voor kapelaan in de cc. 545-546), voor het overige schept hij zelf juridisch door een decreet van (al of niet beknopte of uitgebreide) ambtsbeschrijving deze ambten. Zulk een beschrijving vooronderstelt en neemt voor een pastoraal werker mee hetgeen de CIC aan leken toestaat en ontzegt, inclusief dat iedere ambtsuitoefening in een bisdom staat onder het gezag van de diocesaan bisschop, uit te oefenen volgens de rechtsvoorschriften (verg. c. 391,1).
Ambtsinstelling kan samengaan met de benoeming van een geschikte katholiek er in, zodat instelling en benoeming als het ware ineen zitten. Dit volgt de lijn van c. 145,2: “De plichten en rechten eigen aan afzonderlijke kerkelijke ambten worden bepaald hetzij door het recht zelf waardoor het ambt ingesteld wordt (b.v. de CIC, diocesaan recht of bisschoppelijk decreet), hetzij door het decreet van de bevoegde overheid waardoor het tezelfdertijd ingesteld en toegewezen wordt”.
10. Kerkelijke zending betekent in het geval van priesters, diakens en pastorale werkers hetgeen de CIC in de cc. 146-157 noemt: toekenning, verlening ofwel toewijzing van een reeds ingesteld ambt aan een geschikte katholiek. In het Nederlands noemen wij dat: benoeming. Volgens c. 157 komt het aan de diocesane bisschop toe door vrije toewijzing te voorzien in de kerkelijke ambten in zijn bisdom. Vrije toewijzing houdt in: vrije aanwijzing van de te benoemen katholiek en vrije benoeming van hem of haar. De benoemde persoon komt in het bezit van de rechten en plichten van zijn ambt doordat hij komt in het ambt, waaraan deze rechten en plichten verbonden zijn. Er vindt dus geen geestelijk-spirituele bevoegdheidsoverdracht direct plaats vanuit de bisschoppelijke ambtsvolmacht naar de te benoemen persoon in een soort interpersoonlijke relatie. Dit loopt via het concrete, afzonderlijke ambt, waarin bevoegdheden zitten. De kerkelijke zending is in het RPW verpakt (opgenomen) in de bisschoppelijke goedkeuring van een arbeidovereenkomst met een plaatselijke of regionale kerkelijke rechtspersoon, waar de pastoraal werker komt te werken. Het RPW regelt ook, wat er gebeurt, indien de bisschop deze zending/goedkeuring uit de arbeidsovereenkomst terugtrekt (ofwel in de taal van de CIC iemand uit een ambt verwijdert).
11. De benoeming van een katholieke theoloog als pastoraal werker in een pastoraal ambt is een eenzijdige, gezagvolle bestuurshandeling van een diocesaan bisschop. De benoeming behoeft voor de geldigheid ervan kerkjuridisch niet de instemming van de te benoemen persoon. Deze heeft zich vrijwillig bereid verklaard om in een bepaald bisdom te gaan werken en als bisdom en persoon dan elkaar vinden op een bepaalde concrete benoeming, benoemt de bisschop hem of haar. Van een clericus (priester of diaken) geldt, dat hij door wijding en incardinatie in een bisdom verplicht is om een redelijke benoeming door de bisschop te aanvaarden, zoals hij ook een recht op benoeming in een ambt (een pastorale werkkring) heeft. Het recht verplicht hem tot bereidheid hiertoe. Voor een pastoraal werker ligt dit dus anders: die is persoonlijk bereid om… Hetgeen de LKR stelt in haar brief van 13 juni 2008: wij accepteren niet, dat bij verandering van standplaats een pastoraal werker niet het formele recht van instemming heeft, komt niet uit het ambtenrecht van de CIC, maar heeft te maken met het feit, dat gegevens van de CIC zijn gegoten, opgenomen in een arbeidsverhouding naar Nederlands recht (zie hieronder n. 13).
12. Als een diocesaan bisschop een katholiek theoloog in een kerkelijk, pastoraal ambt benoemt, is dat na de eerste beslissing (zie hierboven n. 4) de tweede beslissing met een hoog geestelijk gehalte: de kerk via een diocesaan bisschop vertrouwt het aan een katholiek toe om in een ambt namens haar pastoraal werkzaam te zijn. Ook dit heeft zijn rechtgevolgen: hij of zij mag nu voortaan krachtens dit gegeven vertrouwen de opdrachten, rechten en plichten van dit ambt uitoefenen.
13. Gezien de twee in de nn. 4 en 12 genoemde geestelijke beslissingen van een diocesaan bisschop ten opzichte van een (a.s.) pastoraal werker en gezien het centraal, continu, niet van een benoeming in een concreet, afzonderlijk ambt afhankelijk werkgeverschap in de Bisdommen Haarlem en Groningen, opper ik hier een ander iets vanuit het dokument Beauftragte Laien im kirchlichen Dienst van de Zwitserse Bisschoppen van 20 januari 2005. Dat is de vraag, of en in welke mate in de twee geestelijke beslissingen en in het centrale bisdommelijke werkgeverschap in Haarlem en Groningen er sprake is van een latente, blijvend aangegane verhouding tussen een bisdom en een pastoraal werker, die verborgen blijft onder het juridische van dit centraal werkgeverschap, maar er geestelijk/theologisch uitgelicht kan worden. Dat is de vraag, of er naast de kerkelijke zending voor een concreet ambt ook niet een Institutio plaats vindt of erkend zou moeten worden, zoals de RK Kerk dat in Zwitserland noemt. Die wordt daar als volgt omschreven:
”Die Institutio für Laientheolog/inn/en ist die Indienstnahme durch den Bischof für eine zeitlich unbegrenzte seelsorgerliche Tätigkeit. Durch die Institutio verpflichtet sich der Pastoralassistent/die Pastoralassistentin dem Bischof und dem Bistum gegenüber. Er/Sie erklärt sich bereit, seine/ihre pastoralen Aufgaben vom Bischof zu übernehmen, und anerkennt, dass er/sie dem Bischof für die Erfüllung derselben verantwortlich ist. Der Bischof verplichtet sich, eine Stelle zu suchen, die den Erfahrungen und Fähigkeiten des Pastoralassistenten/der Pastoralassistentin und den Bedürfnissen des Bistums entspricht, und ihm/ihr die dazu nötige Missio zu erteilen. Die Institutio wird in der Regel innerhalb einer liturgischen Feier erteilt” (N. 2 e)).
Misschien kan hier aangehaakt worden wat heet de diocesane kerkelijke zending van pastoraal werkers: die heeft niet de betekenis van zending in de zin van bisschoppelijke benoeming in een concreet ambt (zie n. 10 hierboven), maar van aanvaarding van een katholiek theoloog tot werker in het professioneel pastraat van het bisdom. Die aanvaarding kan verbonden zijn met de eerste geestelijke beslissing (de benoembaarheid; zie n. 4 hierboven) of met de tweede (de eerste benoeming; zie n. 12 hierboven).
14. De CIC geeft naast een eerste lijn, de benoembaarheid van geschikte katholieke theologen in pastorale ambten, in een tweede lijn (zie n. 2 hierboven) aan de bisdommen de opdracht om dit ‘servitium’ sociaalrechtelijk goed uit te werken. Dit geschiedt in het RPW, waarin meer is opgenomen dan alleen dit sociaalrechtelijke. Immers, in een arbeidsovereenkomst naar Nederlands recht wordt in het RPW het goedkeurings/benoemingsrecht en het gezag van de diocesane bisschop vastgelegd, worden de arbeidsvoorwaarden en sociale zekerheid voor de pastoraal werker geregeld, wordt het bestuur van een lokale of regionale kerkelijke rechtspersoon de werkgever, met een beperkte werkgeverzeggenschap (gezagsverhouding) van dit bestuur over de pastoraal werker, want het inhoudelijke gezag wordt uitgeoefend door de diocesane bisschop, en worden aanvaardbare regelingen geboden over de wijzen, waarop de betrokken partijen (bisschop, werkgever/bestuur en pastoraal werker) in goede en slechte tijden uit elkaar gaan, zodat de pastoraal werker zijn ambt (concrete pastorale werkkring) kwijt raakt. Dus de arbeidsovereenkomst regelt dwingend velerlei gegevens en belangen van verschillende partijen. Daarin zit op een enkel punt tegenspraak met de CIC (zie boven n. 8).
15. Vanachter mijn bureau kan ik de ontwikkelingen in de Bisdommen Haarlem en Groningen, die ik op papier enigszins ken, niet goed beoordelen op hun passendheid bij de katholiek communio, zoals die naar voren komt in de mogelijkheden van de CIC. Ik vind het terecht, dat het LKR een herkenbaar, reëel en dus zichtbaarder en nabijer werkgeverschap verlangt dan het centrale werkgeverschap op afstand. Ik kan mij ook indenken, dat de pastoraal werker graag een in het recht uitgedrukte band met het bestuur van de plaatselijke gemeenschap, waar hij werkt, wil hebben. Welke die is of wordt in Haarlem of in Groningen, is niet duidelijk.
16. De kern van: katholieke theologen in het professioneel pastoraat van de kerk, ligt in hun benoembaarheid door de diocesane bisschop in pastorale ambten van de kerk en in het daarmede gepaard gaande vertrouwen, dat de kerk aan hen via een bisschop geeft. Het is goed er voor te waken, dat deze kern door de arbeidsrechtelijke constructie, waarin zij gegoten wordt, niet naar de achtergrond verdwijnt of ten onder gaat, maar helder en eigen blijft. Dat is een groot geestelijke goed in de kerk. De CIC laat het aan de bisdommen over, hoe zij deze kern (benoembaarheid van katholieke theologen in pastorale ambten door de diocesane bisschop) juridisch met de sociaal rechtelijke aspecten ervan vorm geven. Het centraal werkgeverschap als instrument hiervoor, roept de vraag op: is dit er, omdat er centrale honorering en salariëring gaat plaats vinden, of omdat het plaatselijke en regionale werkgeverschap niet goed verloopt (geen goede ervaringen met de parochiebesturen), of omdat zo de diocesane bisschop meer de vrije hand heeft om van bepaalde pastoraal werkers af te komen, of omdat de bisdommen zich meer wederkerig met de pastoraal werkers willen verbinden?