De rol van de parochiepastor als geestelijk leider in het proces van clustervorming van parochies
Inleiding tijdens de voorjaarsvergadering van VPW-Rotterdam op woensdag 3 februari 2010 door Henri EggingMij is gevraagd iets te vertellen over de rol van de parochiepastor als geestelijk leider in het proces van clustervorming van parochies. Toen ik deze vraag kreeg, heb ik meteen een wedervraag gesteld: waar wil het VPW-bestuur op focussen met dit thema. Want waar gaat het eigenlijk om als je spreekt over de relatie tussen clustervorming en geestelijk leiderschap?
Je hoort wel eens dat de clustervorming van parochies als een bedreiging voor geestelijk leiderschap gezien wordt. Schaalvergroting leidt nou eenmaal tot meer managementstaken, zo is de veronderstelling. En hoe komt je dan nog toe aan het geven van geestelijke leiding? Ik ben het met die veronderstelling – die je ook kunt proeven in de uitnodiging voor deze vergadering – fundamenteel oneens.
Zeker, geestelijk leiderschap is óók begeleiding van mensen met zinvragen: door ziekte, door rouw, door werkloosheid of door andere crises die zij opdoen in hun levensgeschiedenis. Maar je kunt je als geestelijk leider niet beperken tot dit duidelijk begrensde terrein van poimenisch pastoraat. Geestelijk leiderschap heeft immers alles te maken met de begeleiding van geloofsgemeenschappen en hun leden (parochianen en vrijwilligers) in de veranderingen die onze kerk in deze tijd doormaakt.
Méér dan persoonlijk pastoraat
Overigens zal ik verder op in mijn betoog ook iets zeggen over de ruimte die je, als parochiepastor te midden van het proces van clustervorming, kunt creëren voor pastorale begeleiding. Hoe kunt je je pastoraat zó organiseren dat je daar ruimte voor houdt? En welke nieuwe kansen voor begeleiding van mensen met zinvragen dienen zich aan, juist door het proces van pastorale reorganisatie? Maar dat is niet de centrale invalshoek van mijn betoog.
Het gaat mij er vooral om dat wij als parochiepastores de opdracht hebben om geloofsgemeenschappen te begeleiden in de veranderingsprocessen die zij doormaken. Die begeleiding van parochianen en vrijwilligers is heel nadrukkelijk geestelijke leiding. Ik kan dat duidelijk maken aan de hand van de omschrijving van het fenomeen ‘geestelijke leiding’: ‘het leiding geven aan de ontdekking, ontwikkeling en verdieping van het religieuze in de mens.’
Zo bezien kan ‘geestelijke leiding’ zich niet beperken tot het individuele pastorale contact, maar heeft het ook alles te maken met verkondiging, gemeenschapsvorming, vieren en dienen. Bovendien veronderstelt geestelijk leiderschap een confrontatie met de snel veranderende hedendaagse cultuur en met de traditie. De pastorale reorganisatie van ‘Samenwerking geboden-2’ is juist bedoeld om in te kunnen spelen op die veranderingen in de samenleving.
Welke ervaringen heb ik wel (en niet)
Nou moet ik bekennen dat ik binnenkort pas begin aan het ‘bijscholingstraject geestelijke leiding’, dat het bisdom samen met LUCE organiseert. Ongetwijfeld zal ik in deze cursus nieuwe inzichten opdoen. Maar ik meen dat ik uit eigen ervaring wel het nodige kan vertellen over geestelijk leiderschap. In mijn verhaal zal overigens doorklinken dat ik in de afgelopen twee jaar de leergang ‘Kerkelijk opbouwwerk’ van LUCE heb gevolgd
Bovendien werk ik in het cluster ‘Rotterdam rechter Maasoever’, waar de proces van clustervorming zich nog in een prenataal stadium bevind. Menigeen die hier aanwezig is, heeft strikt genomen als meer ervaring opgedaan in een cluster in wording. In bredere zin heb ik echter de nodige ervaring opgedaan in processen van pastorale reorganisatie.
Naar mijn mening is het proces ‘Samenwerking geboden-2’ namelijk geen op zichzelf staande werkelijkheid. De kerkelijke sanering is al veel eerder ingezet. In georganiseerd verband is dat gebeurd in de processen ‘Samenwerking geboden-1’ en ‘Tent van God’. Waarbij ik opmerk dat je het samenvoegen van parochies en kerksluiting nooit tegelijkertijd kunt doen, maar je beide processen wel in samenhang met elkaar moet zien.
Ik zal u nu mijn ervaringen vertellen met geestelijke leiding in pastorale reorganisatieprocessen op mijn vorige en mijn huidige werkplek. Het betreft de Titus Brandsma-parochie in Den Haag en parochie De Vier Evangelisten te Rotterdam. Beide processen zijn een combinatie van ‘Samenwerking geboden-1’ en ‘Tent van God’. Waarbij ‘Samenwerking geboden-2’ overigens niet buiten beeld kan blijven.
Casus Den Haag
In maart 2001 werd ik benoemd als pastoraal werker in de parochies H. Familie en A.H. Sacrament in Den Haag-west. Beide parochies hadden zojuist een federatie gevormd. De latere fusie, samen met de parochie O.L. Vrouw van Fatima, tot de Titus Brandsma-parochie was nog niet in zicht.
Sterker nog: de noodzaak van federatieve samenwerking was nog nauwelijks in beeld. Dezelfde vice-voorzitter die bij mijn sollicitatie warme pleidooien voor de federatie had gevoerd, kon zich daar bij de eerste bestuursvergadering nog maar weinig van herinneren. ‘Wij hebben jou nu toch’, sprak hij, ‘waarom moeten wij nu nog verder investeren in die federatie’.
Tussen beide toenmalige parochies waren er grote verschillen. Terwijl de H. Sacramentsparochie hoog-liturgisch en ietwat conservatief was, had de H. Familieparochie een duidelijk diakonaal en progressief profiel. Ook waren er grote verschillen in sociale gelaagdheid: van de chique Vogelwijk tot het volkse Heesterkwartier. Bovendien waren er duidelijke verschillen in de samenstelling van de parochianen: van uitsluitend vergrijsd tussen een mengeling van ‘grijs’ met een bescheiden groep jonge gezinnen.
Hoe heb ik vanuit deze uitgangssituatie geestelijke leiding gegeven aan het proces van samengaan van eerst twee, later vier en uiteindelijk drie parochies? Ik onderscheid daarbij de fase van samengaan van twee parochies in één federatie en de daarop volgende fase van fusie gecombineerd met kerksluiting.
De federatie
Na een eerste oriëntatieperiode heb ik om te beginnen er aan gewerkt dat vrijwilligers en vaste kerkgangers van beide parochiegemeenschappen elkaars manier van kerk-zijn beter gingen verstaan. Ik heb dat gedaan door nadrukkelijk te focussen op geloofservaring, in relatie tot de traditie en tegen de achtergrond van de veranderingen die zich gingen voordoen. En ik heb daarbij gezocht naar gemeenschappelijke fora waarin parochianen vanuit beide gemeenschappen met elkaar in gesprek konden raken.
Op avonden voor parochianen en op vrijwilligersbijeenkomsten kwamen onder andere de beleving van liturgie, de waarde van diakonale inzet en de ervaring van gemeenschap aan de orde. Daarbij was het doel niet om het eens te worden, maar om elkaars beleving te verstaan. Ook in gezamenlijke werkgroepen, met name de pastoraatsgroep en de werkgroep Woord-, gebeds- en communievieringen, ontstond een klimaat waarin over geloofsbeleving gesproken kon worden.
Vanuit die klimaatverandering onder vaste kerkgangers en vrijwilligers, kon er meer groeien. Gezamenlijke vieringen kregen een eigen ‘federatie’-karakter. Maar ook in bijeenkomsten met senioren kwam meer aandacht voor geloofsbeleving. Waarbij vrijwilligers vanuit beide kerken nijver ideeën en programma’s met elkaar uitwisselden.
Je kunt wel zeggen dat er in circa drie jaar een soort gemeenschappelijke identiteit ontstaan was. Natuurlijk waren er nog steeds twee parochies met heel eigen accenten. Maar ook daarin klonk door wat er in het gezamenlijke proces was gegroeid: meer aandacht voor geloofsbeleving en voor gemeenschapsvorming.
Fusie en kerksluiting
Het proces van samengaan van twee gemeenschappen (H. Familie en H. Sacrament) was nog niet afgerond toen de volgende reorganisatie zich al weer aandiende. In het kader van ‘Tent van God’ werd de fusie voorgesteld van de federatie met twee andere parochies (O.L. Vrouw van Fatima en Theresia van het Kind Jezus). Het werd noodgedwongen een combinatie van fusie en kerksluiting: van vier kerkgebouwen naar één kerk.
Toch was het nog een proces met een hoog ‘laissez faire’-gehalte. Na een tijd van fusiebesprekingen haakte één van de parochies (H. Teresia) staande een overlegvergadering af. In de wens om met een andere fusiepartner verder te gaan werd bewilligd. Dat zou nu, in het veel directiever geleide proces ‘Samenwerking geboden-2’niet meer kunnen. En dat is maar goed ook. Hoewel ook directief geleide processen hun nadelen hebben. (Maar daarover later meer.)
Wij gingen dus verder in een fusietraject met drie parochies. Daarbij konden wij voortbouwen op het proces dat in de federatie al op gang gekomen was. Maar nu was er een partner bij gekomen, met een heel andere geschiedenis. Opnieuw heb ik, met steun van vrijwilligers uit zowel de O.L. Vrouw van Fatimaparochie als de federatie gefocust op het gesprek over de beleving van geloven en van kerk-zijn.
In het kader van de beoogde fusie was het traject echter veel doelgerichter dan in de voorgaande jaren. Er kwam een commissie die een beleidsplan schreef, mede op basis van de inbreng van diverse werkgroepen. Per werkveld werden vrijwilligers met elkaar in gesprek gebracht. Elkaars activiteiten werden bezocht en soms was er een gezamenlijke activiteit (zoals de vredesmarkt).
In de commissie beleidsplan en in de verschillende werkgroepen kwam het gesprek over geloofsbeleving en kerkvisie goed op gang. Na verloop van een jaar mondde dit gesprek zelfs uit in eerste afspraken over het samengaan van werkgroepen. In de stuurgroep van de fusie werd echter een stellingenspel gespeeld, met de besluitvorming over kerksluiting als inzet. Ook was er geen centrale pastorale leiding: ik was pastoraal werker in de federatie, gesteund door een administrator paroecialis; de O.L. Vrouw van Fatimaparochie had een chronisch zieke pastoor.
Eén van de leden van de stuurgroep is er in geslaagd om het fusieproces een jaar lang te traineren. Het afgesproken samengaan van werkgroepen werd stilgelegd. Het concept-beleidsplan werd opgehouden. In die periode van stagnatie groeide de weerstand bij vrijwilligers van de H. Sacramentskerk tegen kerksluiting. Zelfs voortrekkers in het proces van samengaan haakten af.
In termen van geestelijke leiding werd het toen extra belangrijk om aandacht te besteden aan mensen die het fusieproces niet meer wilden (of konden) meemaken. In die periode heb ik mensen begeleid die zochten naar een nieuw kerkelijk tehuis. Vaak resulteerde die begeleiding in een afscheid, maar gelukkig bij een aantal mensen met meer zelfinzicht en minder bitterheid.
Casus Rotterdam
In december 2006 begon ik, meteen na mijn priesterwijding, als pastoor van parochie De Vier Evangelisten te Rotterdam. Ik trof daar een parochie aan die formeel reeds vier jaar gefuseerd was, maar feitelijk nog steeds uit vier gemeenschappen bestond (H. Liduina, Verrijzenis van de Heer, H. Paulus en Christus Koning). De gevolgen van een gebrek aan geestelijk leiderschap waren hier tastbaar aanwezig. Twee oud-pastoors hadden alles gedaan om met hun ‘eigen’ kerk zelfstandig verder te gaan. De pastoraal werker had eigenlijk alleen speelruimte op een derde locatie.
Intussen was de noodzaak tot ingrijpende veranderingen alleen maar gegroeid. Er werden vier kerken opengehouden, terwijl er qua financiën binnen enkele jaren nog slechts ruimte zou zijn voor één kerk. Vrijwilligers liepen op hun tenen om de zelfstandige quasi-parochies overeind te worden.
Naast organisatorische veranderingen en besluitvorming over kerkgebouwen was er geestelijke leiding nodig. Vooral in de eerste anderhalf jaar na mijn aantreden bespeurde ik voortdurend gepolariseerde verhoudingen tussen verschillende groepen in de parochie: pastoraatsgroep, parochiebestuur, locatiegroepen. Zelf ben ik ook niet buiten die polarisatie kunnen blijven. In zo’n situatie was de focus op religieuze ervaring vaak niet mogelijk: dat vraagt immers om een zekere vertrouwensbasis over en weer.
Besluitvorming nodig om ruimte te scheppen
Ik ben begonnen met het serieus nemen van vrijwilligers, wat voor menige vrijwilliger op drie locaties een tamelijk nieuwe ervaring was. Werkgroepen die lange tijd stuurloos hadden moeten rond-dobberen, kregen van mij intensieve begeleiding. Dat betekende ook dat ik voortdurend doorvroeg naar inhoud, naar het ‘waarom’ van gemaakte keuzes. In elke gemeenschap heb ik met kernvrijwilligers gesprekken gehad over de beleving van liturgie en de betekenis vanuit de traditie, voordat wij (een jaar later) gezamenlijke afspraken over de wijze van liturgievieren konden maken.
Een voorwaarde voor verdere stappen was besluitvorming op twee gebieden: de integratie van het vrijwilligerskader in één, parochie-brede organisatie (in plaats van per kerk); en de voorlopige sluiting van twee kerkgebouwen (H. Paulus en Christus Koning). Zomer 2007 bracht ik, samen met het bestuur, twee notities uit: ‘de organisatie en de mensen’ en ‘de gebouwen’. Beide notities werden in discussie gebracht onder de vrijwilligers en de laatste notitie ook onder alle belangstellende parochianen.
De gesprekken over beide notities leidden eerst tot een versterking van de aanwezige polarisatie. Maar er ontstond ook ruimte voor nieuwe perspectieven. Vrijwilligers gingen ervaren dat je niet uit plichtsbesef vast hoeft te blijven zitten aan de taak die je eenmaal op je genomen hebt. Het ‘opschudden’ van de vrijwilligersorganisatie gaf de kans om vrijwilligers te stimuleren na te denken over welke taken hen voldoening en inspiratie geven. Ook dat is een vorm van geestelijke leiding.
Geestelijke leiding bij kerksluiting
Inmiddels heb ik samen met het parochiebestuur voorjaar 2008 gesprekken gevoerd over de voorlopige sluiting van twee kerkgebouwen. Die gesprekken hebben wij gevoerd met de locatiegroepen, met de vrijwilligers en met geïnteresseerde parochianen. Aanleiding van die gesprekken was dat het voor de kleine vrijwilligersgroepen per locatie niet goed mogelijk meer was om hun kerk open te houden, terwijl ook het kerkbezoek beperkt was.
Die gesprekken leidden tot het besluit om de H. Pauluskerk en de Christus Koningkerk voorlopig te sluiten (juni en september 2008). Vanaf dat besluit, begon een intensieve periode van gesprekken met vaste kerkgangers en vrijwilligers. Daarbij heb ik zo veel mogelijk ruimte gegeven aan de beleving van deze mensen bij de sluiting van ‘hun kerk’. Dat was een mengeling aan gevoelens en gedachten: pijn, weemoed en ook boosheid vanwege de afsluiting van wat vertrouwd en dierbaar was. Maar soms ook opluchting van vrijwilligers die niet meer hoeven te doen wat ze eigenlijk niet meer kunnen.
Kernmoment (maar nog niet het eindpunt) in dat proces waren de slotvieringen in beide kerken. Daarin kon afscheid genomen worden van wat in de loop van vele jaren dierbaar geworden was. Dat kon alleen maar omdat wij deze vieringen samen met parochianen hebben voorbereid. Ook die voorbereiding had het karakter van geestelijke leiding. Opmerkelijk is dat mensen die in dit proces van ‘afscheid nemen’ hebben meegedaan, in grote meerderheid nu elders in de parochie actief geworden zijn en zich er thuis zijn gaan voelen.
Conclusies
Uit mijn ervaringen in beide situaties – Den Haag en Rotterdam – concludeer ik dat geestelijke leiding in pastorale reorganisatieprocessen noodzakelijk is en dat wij als parochiepastores bij uitstek degenen zijn om die geestelijke leiding te geven. Daarbij is het wezenlijk het gesprek op gang te brengen op de geloofsbeleving van parochianen, tegen de achtergrond van de veranderingen die zich voordoen (in de kerkelijke structuur en in de samenleving) en de traditie.
Om geestelijke leiding te kunnen geven in een proces van pastorale reorganisatie is het belangrijk om plaatsen te vinden waar parochianen en vrijwilligers het gesprek met elkaar kunnen aangaan over geloofservaring en kerkvisie. Voor een deel moet je die fora zelf creëren. Maar je kunt ook gebruik maken van bestaande verbanden waarin mensen samenkomen. Geestelijke leiding in een herstructureringsproces moet zich niet beperken tot vrijwilligers. Maar je kunt de inzet van vrijwilligers wel gebruiken om het gesprek (via hun activiteiten) verder te brengen onder verschillende groepen parochianen.
Randvoorwaarden
Wat zijn randvoorwaarden om in een proces van pastorale reorganisatie geestelijke leiding te kunnen geven?
Op de eerste plaats denk ik dat er een eenduidig bestuurlijk kader nodig is, zowel in het samenwerkingsverband zelf als bij de leiding van het proces. Wanneer er onduidelijke gezagsverhoudingen zijn (zoals bij de Haagse casus in de stuurgroep; zoals in de Rotterdamse situatie tussen twee pastores) kan geestelijke leiding maar moeizaam op gang komen, of strandt het proces vroeg of laat.
Een ‘laissez faire’-proces, zoals wij vaak gezien hebben bij ‘Samenwerking geboden-1’ (zie uitstappen van parochie uit fusieproces in Den Haag) maakt het ook moeilijk om geestelijke leiding te geven. De kaders waarbinnen je een gesprek moet aangaan zijn dan te onzeker voor alle betrokkenen.
Een directief geleid proces als ‘Samenwerking geboden-2’ heeft echter andere valkuilen. Daarbij is het lastiger om het benodigde draagvlak te verwerven. Bij de aansturing van het fusieproces kan dan al gauw de neiging ontstaan om te scoren met tastbare resultaten. In termen van geestelijke leiding kan het samengaan van geloofsgemeenschappen nooit een louter technisch proces zijn. Er moet een vertrouwensbasis kunnen groeien om gesprekken over geloofservaring en kerkvisie aan de basis van een samenwerkingsproces te laten staan.
Wij hebben gezien (in de Haagse casus) dat samenvoeging parochies in combinatie met kerksluiting voor een zeer moeizaam proces kan zorgen, waarbij de vruchten van geestelijke leiding niet beklijven. Maar dat betekent niet dat besluitvorming over kerkgebouwen altijd moet worden uitgesteld. In sommige situaties, met name in de grote steden kan het nodig zijn om met afzonderlijke gemeenschappen het gesprek over hun gebouwenprobleem aan te gaan, voordat je aan een fusieproces begint. Anders wordt een zware last gelegd op een nieuwe pastorale eenheid wanneer deze in haar startfase al over kerksluiting moet gaan spreken.
Ruimte voor persoonsgericht pastoraat
Ik had beloofd u nog iets te zeggen over de ruimte die je, als parochiepastor te midden van het proces van clustervorming, kunt creëren voor pastorale begeleiding. Hoe kunt je je pastoraat zó organiseren dat je daar ruimte voor houdt? Een klassiek voorbeeld is het werk van een pastorale bezoekgroep, die niet alleen de pastor veel werk uit handen neemt, maar ook signaleert wanneer begeleiding door de pastor nodig is. In mijn parochie in Rotterdam ontstond een pastorale bezoekgroep vanuit de bezinning van vrijwilligers op waar hun hart in de parochie lag.
Er dienen zich ook nieuwe kansen voor begeleiding van mensen met zinvragen, juist door het proces van pastorale reorganisatie. Als je minder vast zit aan de groepen die reeds sterk betrokken zijn bij de parochie, kun je je meer naar buiten richten. Een missionaire benadering dus. Wanneer je een categorie mensen in beeld krijgt met specifieke zinvragen (bijvoorbeeld dertigers), dan kun je ‘op maat’ pastorale begeleiding bieden.
Ten slotte
Het is zeker mogelijk om kritiek uit te oefenen op het proces ‘Samenwerking geboden-2’ Ik maakte zelf al opmerkingen over de risico’s van een directief geleid proces. Maar de noodzaak van een pastorale reorganisatie lijkt mij onomstreden. Ongewijzigd doorgaan in het oude spoor, leidt er niet toe dat de tijd terugkeert dat pastores ‘zoals vroeger’ op een kleine schaal en nabij aan mensen kunnen functioneren. Als wij niet veranderen, dan klinkt de kerk alleen maar verder in. Waar het volgens mij om gaat is: dat wij nieuwe uitdagingen aangaan om geloofsbeleving van mensen in deze samenleving in gesprek te brengen met de traditie. Als wij geestelijke leiding geven in de huidige processen van pastorale reorganisatie, dan leveren wij daaraan een wezenlijke bijdrage.
Rotterdam/Delft, 3 februari 2010 (Feestdag van de H. Blasius), Henri Egging