Wat is Geestelijk Leiderschap?
In deze inleiding zou ik enkele aanzetten willen presenteren voor geestelijk leiderschap. Het lijkt vanzelfsprekend dat de pastor een functie bekleedt die hem onvermijdelijk tot geestelijk leider maakt van zijn of haar gemeenschap of parochie, of een andere kerkelijke setting. Maar toch is het de vraag of de pastor in zijn of haar functie ook werkelijk tot geestelijk leiderschap komt. Het gevaar is altijd dat we meer denken en handelen als functionaris.
Wat staat er in onze functieomschrijving? Wat verwachten de mensen van ons als pastor? Hoe vertalen we naar de praktijk wat ons geleerd is in onze opleiding?
We bekleden immers een rol binnen de concrete context en deze rol omvat een aantal duidelijk omschreven taken. Consciëntieuze taakopvatting en goede opleiding garanderen echter niet dat wij in onze functie uitgroeien tot waarlijk geestelijk leiderschap. Is dat een gemiste kans? Heeft het wel zin als pastor te functioneren in een kerkelijke setting als we nalaten tot geestelijk leiderschap te komen? Wat blokkeert ons hierin? Ontvluchten we de uitdaging die ons pas werkelijk tot pastor kan maken? Zitten we gevangen in kerkelijke structuren en gewoonten die tevreden zijn met de uiterlijke correcte plichtsuitoefening?
Geestelijk leiderschap betekent geen nieuwe attitude van pastores in het pastorale werk. Het is dus geen houding die we kunnen aanleren, geen techniek waar we ons op kunnen toeleggen.
Nee, bij geestelijk leiderschap is de pastor zelf in het geding en alle aspecten van zijn of haar religieuze ervaringswereld en geloofsleven. Dat weten we maar al te goed, en toch zijn we geneigd uit veiligheidsoverwegingen of uit noodzaak dit liever te vergeten en de duidelijkheid en zekerheid te prefereren van kerkelijke structuren en functies. Dan weten we ten minste wat ons te doen staat en wat de kerkgangers van ons mogen verwachten. Maar niet alleen wij. Besturen geven ook de voorkeur aan duidelijk omschreven taken en verwachtingen, die gezien en gecheckt kunnen worden.
Voorheen gaf de kerkelijke en religieuze traditie die we van huis uit meekregen, leiding aan de ontwikkeling en de bewustwording van de religieuze ervaring en het volwassen geloofsleven. We stapten in een rijdende trein. Tegenwoordig weten we soms niet meer in welke trein wij zitten en of wij daar wel thuishoren.
Op radio en televisie hoor ik soms mensen praten voor wie deze situatie nog een levende realiteit is, maar uit de vragen en reacties van verslaggevers zie je dat dit in de moderne cultuur onwaarschijnlijk en onbegrijpelijk is geworden. Theologische vooronderstellingen en waarheden, het kerkelijke gedachtegoed, vormen slechts voor een kleiner wordende groep het bepalende kader van hun persoonlijke en gemeenschappelijke ervaringswereld. Je hoort jonge en capabele vrouwen vertellen dat vrouwen natuurlijk heel goed openbare functies zouden kunnen bekleden in de politiek, maar dat zij zich niet afkeren van partijen die dit om theologische motieven afwijzen. Zij laten teksten van Paulus bepalend zijn voor hun persoonlijke leven, hoewel zij zich een andere gedachtegang goed kunnen indenken. Het is onmiskenbaar hoe zij zich laten gezeggen door de persoonlijke ervaring van God, en dat dit voor hen op de eerste plaats komt. Zij kiezen allereerst voor een samenleving en dus een politiek die zich bewust plaatst onder Gods leiding. Zij lijken in twee werelden te leven die nauwelijks compatibel zijn, maar zij maken zich daar absoluut geen zorgen over.
Het probleem ontstaat bij de onderscheiding van deze leiding van God. Sommigen vertrouwen blindelings op de interpretatie van Gods leiding die de traditie hen aanreikt en die vorm heeft gekregen in allerlei kerkelijke instituties. Zij gaan ervan uit dat de leidinggevende personen in de kerk op betrouwbare wijze de contouren blootleggen van Gods leiding. Zij zien de kerkelijke traditie als neerslag van een proces van onderscheiding van Gods leiding.
Deze overgeleverde onderscheiding ervaren zij als richtinggevend in de bewustwording van Gods leiding in hun persoonlijke leven.
Deze groep herkent het religieuze leiderschap van de pastor gemakkelijk, zolang dit zich ten minste keurig beweegt binnen de grenzen van de overgeleverde traditie.
Deze situatie is echter niet meer vanzelfsprekend. We zien in Nederland, zoals eveneens daarbuiten, dat de kerken meer en meer leeg lopen. Mensen zeggen vaak nog wel te geloven, maar ze herkennen zich niet meer vanzelfsprekend in kerkelijke instituties en diensten. Daarmee is ook de pastor de vroeger vanzelfsprekende autoriteit kwijt. Het is niet meer voldoende dat de pastor theologische goed geschoold en trouw is aan de kerkelijke leer om in handelen en spreken ‘overtuigend’ te zijn. Op hun religieuze weg zijn mensen vooral op zoek naar een persoonlijk geloof. Uiterlijke vormen en overgeleverde ideeën zijn daarbij minder belangrijk dan persoonlijke ervaring en spiritualiteit. Op talloze manieren zijn mensen namelijk intens op zoek naar spiritualiteit. We zien dat tegenwoordig meer dan ooit, los van de benaming die men daarvoor gebruikt.
Zowel binnen als buiten de kerken blijken christenen op zoek te zijn naar mogelijkheden en vormen van religieuze ervaring. De een maakt hierbij de omweg via Boeddhisme en Hindoeïsme, de ander via New Age, justice and peace of ecologische spiritualiteit.
De realiteit van God en van de betrokkenheid van de mens op God dringt zich blijkbaar in veel gevallen onvermijdelijk op aan het menselijke bewustzijn, zelfs wanneer de betrokkenheid op de kerkelijke instituties facultatief lijkt te worden.
Spiritualiteit probeert dit bewegelijke Godmenselijke betrekkingsgebeuren in kaart te brengen. Hierbij valt vooral op dat mensen hartstochtelijk op zoek zijn om woorden te vinden voor wat hen overkomt. Op deze zoektocht blijkt een gevarieerde waaier van spirituele tradities hen behulpzaam te zijn om hun eigen spirituele ervaring te verwoorden. Het is soms verwarrend te luisteren naar de manier waarop mensen hun relatie met God verwoorden. Zo was een jonge vrouw enige tijd geleden in een interview naar haar geleefde spiritualiteit aarzelend op zoek naar haar relatie met ‘God’.
Eerst zegt ze:
‘Ja, ik geloof wel dat er een hoger wezen is, zeg maar. Ik zou het feit reïncarnatie ook nog willen geloven, maar of er nou specifiek een man met een baard boven in de wolken zit, nou dat geloof ik niet. Het kan ook een heel ander wezen zijn, misschien is het wel helemaal geen wezen. Ik geloof wel dat er gewoon iets hogers is en dat het niet als je dood bent, gewoon pats boem over is.’
Zij is zozeer geconcentreerd op het concrete van de dingen en de mensen die zij ontmoet, en op het geluk waarnaar zij op zoek is, dat er nauwelijks ruimte lijkt te zijn voor de bewustwording van een relatie met God. Ze zegt:
‘Ik heb hem nog nooit gezien en ik heb hem nog nooit ontmoet, dat zie ik straks wel. Na mijn overlijden denk ik. Tenminste, dat neem ik aan.’
Op het einde van het gesprek is ze toch blij dat de vragen haar genoopt hebben te reflecteren op haar relatie met God:
‘Wat me wel aan het denken heeft gezet, is wat het contact leggen van het hogere wezen naar je toe, zeg maar. Hoe dat inderdaad, in welke vorm dat kan. Daar zou ik nog wel over nadenken. Dat is op zich interessant om te doen. Maar niet teveel, ik bedoel: ik leef gewoon mijn leven zoals het nu is en als ik nou al teveel ga nadenken over hoe het na mijn leven is, dan schiet ik er ook weer niets mee op, dus.’
De vraag die wij ons hier nu stellen, luidt: Wat is eigenlijk geestelijk leiderschap? Hoe kan de pastor mensen op hun zoektocht helpen?
Mensen stellen in de meeste gevallen vandaag aan de dag geen vragen naar geloofswaarheden, noch naar wat zij behoren te denken of te doen. Ze hebben geen behoefte aan een geleerd of duidelijk antwoord op hun vragen op grond van de theologie. Ze zijn allereerst op zoek naar een reisgenoot, die het aandurft om een eindje met hen op te lopen en hen te helpen om de concrete werking van God in hun leven te onderscheiden. Zij vragen niet hoe het zit, maar hoe de pastor zelf de relatie met God ervaart en daarin groeit. Dáár willen ze van leren.
Luisterend naar de authentieke ervaringen van de pastor, verkennen ze aarzelend hun eigen relatie met God. Ze zoeken woorden voor de ontmoeting met de Onzegbare.
Geen voorgeschreven woorden, geen woorden die tot begrippentaal horen, geen ideologie.
Nee, ze zoeken woorden die het hen mogelijk maakt om zich bewust te worden van hun eigen ontmoeting met God; deze te denken als reëel en daarin te groeien.
Het Godmenselijk betrekkingsgebeuren, dat wil zeggen spiritualiteit, kent twee onbekenden.
We weten niet wat we met “ik” bedoelen en nog minder wat het woordje “God” betekent. We kunnen wel zeggen, hoe we heten, waar we geboren zijn, en nog een aantal autobiografische bijzonderheden. Een paspoort of een identiteitsbewijs brengt ons in de verleiding te denken dat daar staat wie we zijn. Maar wie zijn we werkelijk? Wie zijn we in Gods ogen? Wie had God voor ogen toen hij ons schiep? Onze ware identiteit als beeld van God moet nog onthuld worden. Dat is het eindpunt van onze levensreis. Pas in onze laatste adem, als we in onze uiterste kwetsbaarheid met lege handen voor God staan en ten volle beseffen dat we uit onszelf niets zijn, geven we God de kans om het schilderij dat Hij voor ogen had te voltooien. Zo worden we in ons sterven wie we eigenlijk zijn. Dit is een feest dat geen einde kent. We zijn dan definitief verlost van de verwachtingen van anderen, hun ideeën over wie wij behoren te zijn, hun projecties en projecten. En vervolgens het dwangbuis van ons eigen ideale zelf, want in de loop van ons leven zijn wij onszelf gaan zien in het verlengde van de verwachtingen van anderen. De realiteit van wie wij feitelijk zijn verdringen we, doordat wij ons hebben laten wijsmaken dat wij de ideale persoon zouden moeten zijn die onze opvoeding ons voorhield.
Wanneer ik, op het ogenblik van het sterven, als de laatste kracht en weerbaarheid uit mij wegvloeien, in de uiterste eenzaamheid en stilte, mijzelf uit Gods hand ontvang, word ik eindelijk wie ik werkelijk ben: een onbegrijpelijke Godswonder. Dan pas treed ik ten volle binnen in de relatie die God met mij is aangegaan, en word ik wie ik ten diepste ben.
God is de andere onbekende van het Godmenselijk betrekkingsgebeuren. Ons denken en onze menselijke taal krijgen op geen enkele wijze vat op Hem. We weten slechts dat we uit onszelf niet zijn, en daarom zeggen we dat het Zijn van God door ons heen stroomt. Hoe verheven en theologisch verantwoord ook, ons spreken brengt Hem niet naderbij. Toch gebeurt Hij aan ons in onze stilte en onmacht.
Bernard van Clairvaux verwoordde dit op magistrale wijze in zijn commentaar op het Hooglied, Preek 74:
Ik beken het: Ook tot mij is het Woord gekomen - ik spreek in onverstand - en meermalen. En ofschoon Het vaak bij mij is binnengetreden, heb ik niet een enkele maal gevoeld dat Het binnentrad. Ik voelde dat Het er was, ik wist dat Het er geweest is, soms kon ik zijn komst voorvoelen, maar nooit voelen, en ook zijn heengaan niet. Want vanwaar Het gekomen was in mijn ziel, of waarheen het ging toen Het mij verliet, waarlangs Het binnentrad of wegging, dat beken ik ook nu nog niet te weten...
Vraagt u nu, daar zijn wegen zo geheel onnaspeurlijk zijn (Rom. 11,33), hoe ik dan weet dat het Woord aanwezig is? Het is levend en krachtig (Hebr. 4,12), en zodra Het is binnengekomen heeft Het mijn sluimerende ziel gewekt, mijn hart bewogen, week gemaakt en gewond, want het was hard en van steen en vol onverstand...
Terwijl nu aldus de Goddelijke Bruidegom meer dan eens bij mij binnentrad, heeft Hij nooit door een enkel teken zijn binnenkomen verraden; niet door enig woord, door een verschijning of het geluid van zijn gang. Kortom, geen van zijn bewegingen deed mij Hem gewaarworden, door geen van mijn zinnen sloop Hij bij mij binnen: alleen uit de bewogenheid van hart, zoals ik al zei, heb ik zijn aanwezigheid begrepen...
U hoort het: gewaarworden kun je Hem niet, maar toch werkt Hij in ons. Zijn werking doortrekt ons hele wezen, tot in de verste hoeken.
Religieus leiderschap vraagt ons medegelovigen te helpen op hun zoektocht om zich op hun beurt aarzelend bewust te worden van Gods werking in hun leven en daar woorden voor te zoeken. Wij hebben hiervan uiteraard geen kennis op grond van informatie of van een theologische theorie met betrekking tot de unieke ontmoeting met God zoals die zich voltrekt in het leven van de unieke mensen die wij tegenkomen. Aarzelend en in alle bescheidenheid kunnen wij slechts vertellen hoe God in ons aan het werk is.
De basis van religieus leiderschap ligt dus in onze eigen bewustwording van de ontmoeting met God die wij ons leven noemen. Meer hebben we niet in handen. Een theologische of pastorale opleiding vergroot in dit opzicht onze competentie niet. Religieus leiderschap ontwikkelt zich naar mate wij mensen helpen om oog te krijgen voor de vraag hoe God in hen aan het werk is. Wij kunnen hen slechts assisteren in hun persoonlijke zoektocht naar bewustwording. Wij reiken hen eventueel denkmogelijkheden aan op grond van onze eigen Godsontmoeting en onze vertrouwdheid met de traditie, waarin mensen steeds weer aarzelend gezocht hebben naar woorden om te vertellen over hun ontmoeting met God. Zo helpen we hen een taal te vinden voor wat hen ten diepste bezig houdt.
Hoewel ik geneigd ben de betekenis van theologiestudie te relativeren als het om religieus leiderschap gaat, is het natuurlijk tegelijkertijd waar dat we daardoor geschoold worden om taal- en denkmogelijkheden te verkennen die het mensen ook mogelijk maakt om dichter bij hun eigen Godsrelatie te komen. In die zin vraagt religieus leiderschap om specifieke competenties waarin studenten zich kunnen oefenen gedurende hun theologische opleiding. Maar we worden pas werkelijk theologen en oastores als we binnentreden in een onophoudelijk leerproces, waarin we verzaken aan het weten.
Religieus leiderschap ontwikkelt zich dus vooral, wanneer wij zelf dieper binnentreden in de relatie met God.
Vanuit het besef dat God ons geschapen heeft, kunnen we anderen begeleiden op hun ontdekkingstocht naar de scheppende hand van God die hen het leven mogelijk maakt.
Als wij diep doordrongen zijn van het feit dat wij het leven niet aan onszelf te danken hebben, zullen wij anderen kunnen helpen om zich ervan bewust te worden dat slechts het niet-zijn hen van nature eigen is.
Wanneer wij ons eindeloos verwonderen over het onbegrijpelijke wonder dat het Zijn van God ons doorstroomt, zullen we deze verwondering ook in anderen wakker kunnen maken.
Naar mate wij beseffen dat het leven een wonder is waar wij geen recht op hebben en dat ons ‘om niet’ geschonken is, zullen wij anderen in ziekte of ouderdom kunnen begeleiden om zich in alle omstandigheden te verheugen over ‘dat wat is’.
Als het lezen van de Schrift ons opent voor de Aanspraak van God en wij ons persoonlijk aangesproken weten door de Heer, dan zal onze verkondiging in staat zijn om de oren en ogen van anderen te scherpen voor het Woord dat ook hen persoonlijk benadert.
Wanneer wij in ons gebed in groeiende mate verstild raken en nog slechts luisteren naar het bidden van de Geest in het kloppen van ons hart en in onze ademhaling, zullen wij anderen kunnen begeleiden om de sprong in het diepe te wagen en zich over te geven aan dit bidden van de Geest voorbij hun eigen gestamel.
Als wij tijdens een viering totaal gericht staan op God die ons tegemoet treedt, zullen wij zelf als voorganger in zelfvergetelheid doorschijnend worden tot op God. Zonder op te houden als voorganger te functioneren, hebben wij slechts weet van God die in het Woord ieder van ons aanspreekt en die het middelpunt vormt van ons bidden. Als dit gebeurt, wordt de viering tot de open ruimte waarin de kerkgangers stuk voor stuk God kunnen ontmoeten, zich nauwelijks bewust van de mens die voorgaat.
Om over God te spreken, moet je eerst met Hem gesproken hebben. Als het Woord ons persoonlijk aanspreekt en met stomheid slaat, zullen wij ons niet afvragen hoe wij de preek zullen construeren en wat de kerkgangers willen of moeten horen. De beste preek is immers de preek die de mensen vergeten zijn bij het verlaten van het kerkgebouw. De pastor doet immers niets anders dan bemiddelen dat het Woord kan binnentreden in de geest en het hart van iedere kerkganger die het aandurft zich voor Hem te openen. Wat er daarna gebeurt, behoort gelukkig niet tot onze competentie.
Wanneer wij ons meer en meer bewust worden, dat iedere daad die wij verrichten de werking van God is, zullen ons diaconaat en onze praktische inzet voor mensen in nood ook gaan delen in deze groeiende doorschijnendheid. Doordat wij ons niet afvragen of wij gezien en gewaardeerd worden in de dingen die we doen, zullen onze werken waarlijk worden tot werken van Gods barmhartigheid. Wij gaan zien hoe God zelf werkt in het werk van onze handen. De mensen voor wie wij ons belangeloos inzetten, zullen daardoor ook bevrijd worden van iedere afhankelijkheid van de pastorale werkers. Zij zullen in staat zijn om zich waarlijk te laten helpen, doordat de pastorale hulp hen allereerst bewust maakt van hun eigen diepste waardigheid in Gods ogen.
Wij komen tot geestelijk leiderschap in de uitoefening van onze functie als pastor of pastoraal werker , als wij als mens niet de toegang vormen tot het kerkgebouw en op generlei wijze de dirigent zijn van de viering die daar door de gemeenschap voltrokken wordt. De pastor wordt tot geestelijk leider als hij/zij in totale zelfvergetelheid blijft bij de eigen ontmoeting met God en van daaruit simpelweg anderen uitnodigt om zich bewust te worden van hun relatie met God. Daarom is het geestelijk leiderschap geen institutionele functie zoals dat van de pastor maar de diepte dimensie van deze functie.
Tot slot wil ik ingaan op de onderscheiding der geesten als een denkvorm die specifiek richting kan geven aan het geestelijk leiderschap. In de geschiedenis van de spiritualiteit blijkt er steeds weer een huiver te bestaan voor ‘ervaringen’. Doordat we opgaan in subtiele vormen van zelfbespiegeling bedriegen we onszelf en verliezen we God als ‘de geheel Andere’ en de Onkenbare uit het oog. Hoe onderscheiden wij dus dat God in ons aanwezig is en werkt? Cassianus, een van de oudste grondleggers van de Westerse christelijke spiritualiteit, schrijft dat ‘wij voortdurend alle schuilhoeken van ons hart moeten doorzoeken en met de grootste aandacht letten op wat daar binnengaat’ (Gesprekken I,22). Houdt God ons geheel en al bezig, of verwarren wij een vroom verhaal, een subtiele zelfconstructie, met zijn goddelijk Gelaat, zijn Woord? Wij hebben uiteraard geen andere toegang tot God dan in de gelaagde bemiddeling van de menselijke antropologie. Het Woord van God bedient zich van menselijke taal, zodat wij toegang hebben tot zijn goddelijke Aanspraak. Daarom ontkomen wij nooit aan de kritische vraag of wij Gods Aanspraak niet verwarren met onze eigen gedachten en constructies, verlangens en behoeften – hoe vroom ook.
Cassianus schrijft daarom : ‘Doordat wij zo elk uur, elk ogenblik, de aarde van ons hart doorploegen met de ploeg van het evangelie, dat is met de voortdurende herinnering aan het kruis van de Heer, zullen we erin slagen de schuilplaatsen van de wilde dieren en de holen van de giftige slangen op te ruimen’ (idem). Religieuze leiders zijn in zijn taal ‘bekwame geldwisselaars’ die echte van valse munten weten te onderscheiden. Hun scherpe blik onderscheidt of de gedachte die in ons hart opkomt gelouterd is door het hemelse vuur van de heilige Geest en dus in het zuivere goud de beeldenaar van de wettige koning in zich draagt of dat wij God verwarren met de menselijke logica van de zelfbekommernis of de behoefte aan veiligheid.
Openen wij ons werkelijk voor de goddelijke Aanspraak die ons Gods wil openbaart, of verdraaien wij ‘door een listig verkeerd gebruik de kostbare uitspraken van de Schrift tot de tegenovergestelde, verderfelijke betekenis’ zodat wij onder het voorwendsel van deugd tot ondeugd komen? Daarom moeten we ook ‘op de weegschaal van ons hart’ onze motieven en gedachten onderzoeken op hun ‘juiste gewicht’. We doen dit met ‘een geijkt gewicht’, namelijk door ‘ze te vergelijken met het leven en de leer van de profeten en apostelen’. Zo zien we of ‘de roest van de ijdelheid het gewicht en de waarde heeft aangevreten en ongelijk gemaakt aan de standaard der Ouden’ (ibid. I,20-21). Gods werking is slechts te vinden in ons menselijk leven in zijn gelaagdheid. God openbaart zijn wil in de wetmatigheid van ons lichaam dat groeit en gaandeweg verslijt, in ons denken dat orde probeert te scheppen in de chaos van de werkelijkheid, en in onze emoties die daarop reageren vanuit een primaire zelfbescherming. Steeds weer opnieuw moeten wij echter de kritische vraag stellen: worden wij wie we zijn in Gods ogen of construeren we een aanvaardbaar verhaal dat ons de onthutsende confrontatie bespaart met onze waarheid?
Als wij persoonlijk deze zoektocht ondernemen en ons door God bij de hand laten nemen, komen wij gaandeweg tot geestelijk leiderschap. Dit gebeurt uiteraard aarzelend en met vallen en opstaan. Niemand van ons zal beweren dit al bereikt te hebben, maar terugkijkend zullen ze misschien van ons vertellen dat er zoiets met Gods genade gebeurd is.
[ Meer cursussen over spiritualiteit en mystiek: http://www.sporenvangod.nl ]