U bevindt zich hier: HomeInleidingen

Het geheim van God, prof. dr. Herwi Rikhof

Het geheim van God 

in ons leven en ons pastoraat

lezing op de studiedag bisdom Groningen – Leeuwarden[1]

Inleiding (Publicatie met toestemming van de auteur, prof. Herwi Rikhof)

Graag wil ik beginnen iemand aan het woord te laten met een groot gevoel voor ontwikkelingen in de cultuur en met een grote betrokkenheid op zaken van geloof en kerk, John Henry Newman. Hoewel hij deze opmerkingen maakt in 1882 zijn ze, denk ik nog steeds van toepassing. Schrijvend over de houding ten aanzien van geloof en godsdienst in de maatschappij merkt hij op:

“Ik ben van mening dat het niet de rede is die tegen ons is, maar de verbeelding. Het verstand, dat met volkomen voorbij gaan aan de evangelies heeft geleefd in wetenschap, ervaart, wanneer het terug gaat naar de Schrift, een volkomen vreemdheid in wat het leest en dat lijkt een beter argument tegen Openbaring te zijn dan enige formeel bewijs. ‘Het Christendom loopt achter, wordt dan gezegd’.”

Ik kwam deze opmerking tegen in een boekje van de Engelse theoloog Nicolas Lash over het thema van deze dag. De ondertitel van dat boekje is ‘Reflections on the Question of God‘.[2] Zoals vaker met publicaties van Lash, zou ik willen dat ik het geschreven had, niet alleen omdat hij zaken aan de orde stelt die mij ter harte gaan, maar omdat hij het doet met een jaloersmakende elegantie en humor en een benijdenswaardige diepzinnigheid.

In de voorbespreking met de bisschop over het thema van vandaag merkte ik bij mezelf een zekere weerstand, niet bij het thema, integendeel, maar bij de manier waarop het thema aan de orde zou moeten komen. Verwijzend naar Charles Taylor’s boek Een seculiere tijd en naar gesprekken die hij de laatste tijd gevoerd had, gaf hij een kader aan waarin het geloof in God niet vanzelfsprekend is en suggereerde hij dat een soort apologie nodig was. En toen merkte ik weerstand. Niet omdat ik het seculiere van onze tijd niet zou erkennen – God is niet alleen uit Jorwerd verdwenen, ook uit de Heilig Landstichting. Niet omdat ik van mening ben dat de hedendaagse theoloog in een storm vrije zone kan werken – het onvanzelfsprekende van het geloof is voor ieder van ons, of laat ik alleen maar voor mezelf spreken, is voor mij iets interns geworden. Ik preek niet alleen tegen mezelf, maar ik denk en schrijf ook tegen mezelf. Nee, die weerstand kwam op vanwege de wijze waarop die apologie vaak gestalte krijgt. Apologetiek zeker in de vorm zoals die de laatste eeuwen gestalte heeft gekregen en nog steeds in allerlei grote werken over fundamentele theologie naar voren komt - en niet alleen daarin - is een benadering die mij meer en meer afstoot. Om dat uit te leggen moet ik een paar enigszins autobiografische getinte opmerkingen maken en daarna kom ik terug op dat citaat van Newman en het betoog van Lash.

Natuurlijk was apologetiek een onderdeel van mijn theologie studie. In mijn doctoraal had ik con amore als bijvak godsdienstfilosofie gekozen. Ik vond met name de angelsaksische taal-analytische benadering prachtig en dat is ook een deel van mijn denken geworden. Een onderdeel van die benadering is ook een discussie van de zogenaamde Godsbewijzen, niet alleen de klassieke, zoals die in q. 2 van de Summa Theologiae van Thomas gevonden worden, maar ook de moderne zoals het argument van de onzichtbare tuinman en het tegenargument van de duizend kwalificaties die in feite tot het ontkennen van het bestaan van God leiden.[3] Maar toen ik meer en meer in Thomas thuis raakte en hem leerde lezen als theoloog, begon ik moeite te krijgen met die filosofische discussie van de Godsbewijzen. Omdat die godsbewijzen zo gedomineerd werden door de filosofische discussie, vond ik ze minder en minder interessant. Ook raakte ik meer en meer thuis in de dogmatiek en vooral in de godsleer, in de triniteitstheologie. Een van de fundamentele inzichten in wat nu wel als een renaissance van de triniteitsleer wordt gekarakteriseerd is dat in de moderne tijd een theïstisch, een min of meer filosofisch denken over God, dominant geworden is, dat dat theïstische denken het atheïsme van de 19de eeuw heeft opgeroepen en dat het van levensbelang voor het Christendom is die kritiek van het atheïsme serieus te nemen en dat moderne theïsme ook af te wijzen. [4] Ik zal zo op dit punt wat uitvoeriger terug komen.

Daarbij kwam een andere ontwikkeling: een van mijn collega’s in Nijmegen, Nic Schreurs, promoveerde op een proefschrift Geloofsverantwoording, dat als tekenende ondertitel heeft: van apologetiek naar een hermeneutische theologie met apologetische inslag. Hij beschrijft in feite de ontwikkeling van apologetiek als een discipline die min of meer filosofisch is, een soort neutrale voorfase, naar een fundamentele theologie, die zoals de formulering al aangeeft een onderdeel van de theologie is. Maar die ontwikkeling en die naamsverandering zijn niet onschuldig. De beweging is dan, om zo te zeggen, niet meer van buiten naar binnen, maar van binnen naar buiten. Wat je ter sprake brengt is al van binnen uit geïnformeerd en bepaald. De consequenties van die ontwikkeling worden niet altijd getrokken. Wanneer het bijvoorbeeld over God gaat, kan in de fundamentele theologie niet gesproken worden alsof het in het geloof om God zonder meer gaat en niet om geloof in God Vader Zoon Geest. Van meet af aan moeten we spreken over God Vader Zoon Geest. Wanneer bijvoorbeeld over de almacht van God gesproken wordt, kan dat niet gedaan worden zonder te spreken over het lijden, sterven en verrijzen van Jezus. De almacht van God is het kruis.

Ik kan ook een ander voorbeeld nemen waaraan ik de problemen die ik heb met de apologetische benadering kan verduidelijken, een voorbeeld dat op het eerste gezicht niet veel te maken lijkt te hebben met het thema van vandaag, maar bij nader inzien relevant zal blijken.

Het is niet vreemd een verband te leggen tussen zin geven en geloof. Ik bedoel die manier van denken en van argumenteren waarin gepoogd wordt een correlatie te leggen tussen de vragen van de mensen en het antwoord vanuit het geloof. Die manier van denken heeft oude wortels. Het is bijvoorbeeld het patroon van de toespraak van Paulus op de Aeropaag (Hand 17,16-34,mn 23) Een ander mooi voorbeeld is te vinden aan het begin van De nieuwe catechismus waar het verhaal verteld wordt van de prediking van Paulinus in Northumberland, de streek waar Willibrord vandaan komt. De koning roept de raad van wijzen bijeen, om te kijken wat ze met deze nieuwe boodschap zullen doen. Iemand van die raad gebruikt dan als beeld voor het leven het vogeltje dat in de winter plotseling de zaal binnenvliegt waar de koning met zijn mensen zit en er weer uitvliegt. 'Wij weten niet wat er aan voorafgegaan is, niet wat er op volgt. Als de nieuwe leer ons daaromtrent enige zekerheid brengt is waard dat wij haar volgen'.[5]

Dit patroon heeft overtuigingskracht en dat is natuurlijk van belang voor een discussie. Soms lijkt hij zelfs te veel overtuigingskracht te hebben. Want vooral wanneer de weg bewandeld wordt van het expliciteren van impliciete vragen en antwoorden lijken mensen gedwongen te worden toe te geven dat ze in feite meer doen aan de kwestie van zin dan ze denken en dat ze eigenlijk gelovig zijn. Naast de overtuigingskracht zijn er nog andere voordelen van dit patroon: de band met de ervaring en de overeenkomst met de Schrift.

Wanneer ik nu een paar kritische vragen ga stellen, wil ik niet het belang van een correlatie tussen levensvragen, levenservaringen en het geloof onderschatten, maar wil ik wel vragen stellen bij de eenzijdigheden die in dit zoeken naar correlatie aan te wijzen zijn. Het gevaar namelijk van deze manier van denken is dat de richting enkel van de mens naar God loopt. God is het antwoord op onze vraag. Maar in de Schrift gaat het niet alleen om de mens die op zoek is naar God maar ook en vooral om God die op zoek is naar de mens. Sterker nog, God op zoek naar de mens is het begin van alles.[6] Geloof is, om een van Schillebeeckx’ fameuze tautologieën te gebruiken, een ‘ responsorisch beamen’ – en dat moet je niet vertalen met het Twentse joa-jao. Het probleem is dan niet alleen dat die fundamentele beweging van God naar ons onvoldoende gezien wordt, maar ook dat het belang en de impact van die beweging onderschat wordt. Wanneer God het antwoord is op de vragen van de mens, worden die vragen namelijk het uitgangspunt en worden die vragen, de vooronderstellingen van die vragen, het kader waarbinnen die vragen gesteld worden, meestal niet ter discussie gesteld. Anders geformuleerd, er wordt niet bevraagd wat impliciet of expliciet als zinvol beschouwd wordt en er wordt niet ter discussie gesteld of het alleen of zelfs primair om zin geven gaat. Als we enkel spreken over geloof in termen van zin geven is het niet denkbeeldig dat we gevangen zijn en gevangen blijven in de waardenpatronen en zingevingen van onze huidige maatschappij. Wanneer die fundamenteel kritische vragen wel gesteld worden, kan en hoeft bijvoorbeeld in discussies waarin een beroep gedaan wordt op menswaardig leven en menswaardig sterven dat menswaardige niet meer automatisch ingevuld worden (of alleen maar ingevuld worden) met 'zin geven', met een zin geven dat bovendien nog gekleurd wordt door onze maatschappij, waar zoals het taalgebruik suggereert, alles gemaakt kan worden (cf. 'kinderen nemen of kinderen maken'), dan hoeft en kan dat menswaardige zeker niet bepaald te worden met de zingeving van de reclame en de spelletjeswereld of met de waarden van de weldoorvoede, westerse, meestal mannelijke, bovenlaag van rond de dertig.

Als we spreken over God die ons vraagt, als we spreken over God die begint, als we spreken over God die bepaalt wat zinvol is of niet, is het spreken over God niet een verdubbeling van wat er al gezegd wordt in onze maatschappij, is het spreken over God niet een misschien wel aardige of nuttige nuancering daarvan, maar wordt het een onvervangbare inbreng: een inbreng namelijk in kerk en maatschappij van het ongehoorde en van het verrassende van onze God.

Dat betekent in elk geval dat we ook en vooral moeten spreken over zin krijgen. Het geloof in God de Schepper en de Voltooier, het geloof in God het begin en het eind van alles, in God die het eerste en het laatste woord heeft, wijst namelijk op het fundamentele en het primaire van die beweging van God naar ons.

Maar misschien moeten we verder gaan dan de categorie ‘zin krijgen’ binnen te brengen, en wel om recht te doen aan dat fundamentele en primaire, aan het ongehoorde en het verrassende van God. Want het ongehoorde en van het verrassende van onze God is ook onthutsend en ontregelend. De omgang van onze God en de omgang met onze God blijkt niet of niet meer te passen in de sfeer van functie, nut en voordeel, in de sfeer die bepaald wordt door economisch denken en als we goed kijken blijkt dat economische denken niet alleen die terreinen te bepalen die met politiek te maken te hebben, maar ook die terreinen die niet per se met geld en politiek te maken hebben. Allerlei signalen wijzen daarop: we worden afgerekend, we investeren in relaties en wanneer die onvoldoende opleveren is dat een reden tot verbreken en scheiden, we doen via het embleempje van een envelopje een cadeau-suggestie, die in feite het hele concept van cadeau ondermijnt.

Door zin krijgen naast of vóór zin geven te plaatsen blijven we in termen van zin denken, blijven we in een sfeer van nut en functie en voordeel en raken we niet voldoende de ongehoordheid van onze God, komen we niet in de sfeer van overbodigheid en overtolligheid en luxe die kenmerkend is voor onze God en die kenmerkend zou moeten zijn voor onze omgang met onze God. Dat is een verontrustende en onthutsende inbreng in onze maatschappij maar ook en vooral in onze kerk, in ons geloof, in onze spiritualiteit, in ons pastoraat, in onze theologie. Verontrustend en onthutsend omdat niets meer moet.

Ik hoop dat ik met deze opmerkingen iets van mijn weerstand tegen apologetiek heb verduidelijkt die ik in het voorgesprek bij mezelf bemerkte. Maar in het voorgesprek merkte ik ook iets van een uitdaging om die weerstand niet een blokkade te laten zijn, maar om die weerstand te gebruiken voor het nadenken over het geheim van God in ons leven en ons pastoraat. En dat brengt me terug bij dat citaat van Newman en het betoog van Lash. Ik ga nu niet een samenvatting van dat boekje van Lash geven, maar in de opmerkingen die ik nu ga maken speelt zijn betoog wel door.

‘Het is niet de rede die tegen ons is, maar de verbeelding’. Die opmerking van Newman wil ik als uitgangspunt nemen voor mijn eerste stap. Daarna zal ik een tweede stap nemen waarbij het uitgangspunt een opmerking van Lash is dat religieuze tradities te beschouwen zijn als scholen van wijsheid.

Alles wat ik nu zeggen ga is eigenlijk een reflectie op het slot van het evangelie van Mattheus dat we dit jaar in de zondagse liturgie vooral lezen: “Ga en maak alle volkeren tot leerling; doop hen in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest…” (28,19)

    Plaats reactie

    Free business joomla templates