IK ZIE IK ZIE WAT JIJ NIET ZIET
Enkele opmerkingen bij het 'ontwerp beroepsprofiel parochiepastor' van de federatie VPW
R-J.R.P.M. Peeters
december 2004
''How can I experience true revival
when I am barely surviving"?
voordracht bij gelegenheid van de Algemene Leden Vergadering van de Vereniging van Pastoraal Werkenden van het bisdom Rotterdam
inleiding
Over de uitnodiging om vanmiddag hier te spreken heb ik wel even, maar niet lang hoeven na te denken. Het is immers van groot belang dat een beroepsgroep zich uitspreekt over het eigen profiel. Dat is maatschappelijk courant en professioneel noodzakelijk. Het 'ontwerp beroepsprofiel parochiepastor' van de federatie VPW is inmiddels aan zijn derde concept toe en ik ben blij dat ik daar thans mijn steentje aan mag bijdragen. Ik doe dat, desgevraagd, als personeelsadviseur en niet als theoloog. Dat betekent in ieder geval dat een aantal (ambts)theologische vragen in mijn voordracht niet aan de orde wordt gesteld.
Ik verwacht niet dat het beroepsprofiel directe oplossingen aandraagt voor vragen en uitdagingen die in de context van de hedendaagse parochiepastoraal aan het diocesaan P en O werk worden voorgelegd. Daar is het profiel niet voor geschreven. Wat ik wil doen is uw en mijn welwillendheid koppelen en bevragen met het oog op de toekomst van het beroep van parochiepastor. De vragen die ik U stel, stel ik ook mijzelf.
Het ontwerp beroepsprofiel kiest uitdrukkelijk voor een functionele benadering (tweede ontwerp 4).
Dat komt mij als personeelsadviseur goed uit. De wijze waarop pastores (kunnen) functioneren geeft mij immers te doen. Vanuit mijn werk wil ik enkele accenten zetten, zeker niet uitputtend, maar wel in een bepaalde samenhang.
Nog even iets over de verhouding tussen het eerste (september 2000), maar vooral het tweede (september 2001) en het derde (april 2004) ontwerp. Ik beschouw het tweede concept als het eigenlijke corpus. Het eerste is daarvoor nog te rudimentair en het derde becommentarieert en vult het tweede eerder aan. Ik heb dus vooral naar het tweede ontwerp gekeken en daarbij de ontwikkelingen die in het derde hun neerslag hebben gekregen, meegenomen. Een mooi voorbeeld van een interne receptiegeschiedenis.
Ik bied U dit alles aan onder de enigszins provocerende titel: ik zie ik zie wat jij niet ziet.
toegerust tot de dienst aan de parochie?
Ik voel mij door het ontwerp beroepsprofiel met name gesteund in mijn inzet om het zelfdragend vermogen van parochies ook vanuit het personeelsbeleid te versterken. Om het belang van de versteviging van dit zelfdragend vermogen goed in het vizier te krijgen is het dienstig terug te grijpen op enkele ontwikkelingen rond het fenomeen parochie. Ik wil dat vanmiddag op twee niveaus aan de orde stellen.
Op conceptueel niveau heeft een belangrijke omslag plaatsgevonden die samenhangt met de canonieke definitie van een parochie. In de CIC 1917 vinden wij de traditie verwoord, waarin de rechtspersoonlijkheid van een parochie wordt gedefinieerd vanuit het pastoorsambt, als werkgebied van een pastoor dus, of met het oog op een kerkgebouw.
In het vernieuwde kerkelijk wetboek uit 1983 wordt die inzet belangrijk genuanceerd; nu staat de gemeenschap voorop. Scherper geformuleerd: van rechtswege wordt de parochie als ''een bepaalde gemeenschap van gelovigen'' gezien, die in de regel aan de zorgen van een eigen pastoor wordt toevertrouwd.
Ook als dat laatste niet zonder meer gerealiseerd kan worden, blijven we van een parochie spreken. Dat lijkt in ons huidig kerkverstaan vanzelfsprekend, is evenwel van grote historische consequentie. Desnoods kan een parochie zonder eigen pastoor; de doelformulering van de parochie
betekent dat zij evenwel nooit zonder priester kan.
Hoe het ook zij, tegen deze achtergrond is het van immens belang, ideëel uitdagend en kerkrechtelijk verantwoord, ook vanuit het (personeels)beleid het zelfdragend vermogen van parochies te verstevigen. Dat brengt mij bij het tweede punt.
Op organisatorisch niveau zien wij ons geconfronteerd met enerzijds de keuze voor het behoud van het parochiemodel
en anderzijds een groeiend tekort aan pastorale beroepskrachten, die de benodigde pastorale zorg kunnen verlenen. Om deze spanning enigszins te ontkrampen zijn alle bisdommen van de Nederlandse kerkprovincie betrokken in herstructureringsprocessen op het niveau van de pastorale organisatie. Dat houdt altijd een vorm van schaalvergroting in: de vorming van parochieverbanden en/of pastorale teams. Daarbij kan niet zondermeer worden gezegd dat in het bisdom Rotterdam de organisatie de mogelijkheden met betrekking tot de personele bezetting volgt. Stagnatie in teamvorming is immers niet zelden te wijten aan een te kleine clustering. Toch is het ook in ons bisdom zo, dat de motivatie tot clustervorming doorgaans met name te maken heeft met een personeelstekort. Stellig gezegd, maar niet zonder herkenning genoteerd: "er moeten zoveel pastorale eenheden komen, als er priesters voorzien worden''.
Het kost grote moeite om deze denkrichting van het diocesaan personeelsbeleid te nuanceren. De personele component in het bisdommelijk P en O beleid is daarvoor nog te vanzelfsprekend primair en de vraag naar en de behoefte aan professionele ondersteuning in een zeer nabije context is daarvoor vanuit de basis nog te dwingend. Begrijpelijkerwijs! Om meer ruimte in deze duivelscirkel te brengen is het in ieder geval nodig het zelfdragend vermogen van parochies verder te versterken: alle in de gemeenschap beschikbare krachten en talenten kunnen en willen mee zorgdragen voor de kwaliteit en de continuïteit van het parochiële leven in al zijn dimensies.
De canonieke definitie van de parochie als gemeenschap van gelovigen stipuleert, zoals gezegd, draagvlak ter plaatse.
Als ik het voorgaande goed tot mij laat doordringen en ik kijk dan opnieuw naar het ontwerp beroepsprofiel, dan leg ik het volgende vragenderwijs aan U voor.
1.
Passend en positief is de inzet van het beroepsprofiel bij de gemeenschap van gelovigen als eerstgeroepenen. Consequent wordt de positie van de parochiepastor daarom gezien als die van medegelovige en professional, in die specifieke volgorde.
Hoewel in de ontwerpen wat gestoeid wordt met de vraag of de nummering van taken nu wel of niet een prioritering aangeeft,
mag gevraagd worden of in het beroepsprofiel, in de context van het verstevigen van het zelfdragend vermogen van geloofsgemeenschappen, voldoende aandacht wordt gegeven aan het vrijwilligersbeleid. Voor de parochie is het van levensbelang dat gelovigen worden gevormd en toegerust om hun verantwoordelijkheid voor de gemeenschap waar te kunnen maken.
Dat een pastorale beroepskracht zich daarmee engageert is niet slechts een uiting van zijn uitvoerende taak met het oog op de randvoorwaarden voor de pastoraal (i.e. zonder vrijwilligers gaat het niet meer), maar bepaalt, durf ik te zeggen, mede het wezen van zijn of haar ambt. Zeker, in het eerste en tweede ontwerp is weliswaar in taak vijf aandacht voor de functie, de plaats en de gelovige toerusting van vrijwilligers, maar pas in het derde concept breekt het inzicht door dat 'werken met vrijwilligers' een zodanige kerntaak van parochiepastores is, dat het een aparte numerieke vermelding verdient. Overigens op de zevende plaats in een totaal van negen! Ik zie toch graag en acht dat ook noodzakelijk, dat deze taak meer centraal komt te staan. Vrijwilligers zijn immers niet zozeer medewerkers van de pastorale beroepskrachten, doch zijn actief vanuit een eigen verantwoordelijkheid! En juist omdat het daarbij niet alleen om werving en selectie gaat (dat kan en moet vooral een bestuur of stuurgroep doen), maar ook om inspiratie en vorming, is het een onderdeel van de pastorale zorg, van de ambtelijke dienst.
De aandacht voor de geestelijke vorming van vrijwilligers lijkt mij een prioritaire kerntaak van de pastor, als wij tenminste de verdere ontwikkeling van het zelfdragend vermogen van parochies serieus nemen.
Daarmee hangt samen dat in het beroepsprofiel te lichtvoetig wordt gesteld dat de parochiepastor eerstelijns en tweedelijns werkt. Ik zie vooral het werken in tweede lijn toenemen (en weet dat slechts weinigen dat echt willen). Dat zal dan ook verder moeten worden uitgewerkt. Gebeurt dat niet of onvoldoende dan zal de eerste lijn blijven overheersen met - in een context van schaalvergroting - alle gevolgen van dien. Parochianen zullen hun pastor als steeds meer op afstand ervaren; pastorale beroepskrachten moeten hun spanningsboog, letterlijk, tot het uiterste oprekken. Daar wordt niemand gelukkig van; het ontwerp beroepsprofiel nodigt hier niet tot omdenken uit.
2.
Door meerdere auteurs is ons diverse malen al gewezen op de meerdimensionaliteit van een parochie. Niet langer is er sprake van een eenduidig en enkelvoudig gegeven, waarop (of in termen van het ontwerp beroepsprofiel: van waaruit) een even helder beroepsprofiel voor de parochiepastor van toepassing kan zijn. Dit thematiseert het ontwerp onvoldoende. Ik bedoel het volgende.
In zijn boek Ingewijd en toegewijd. Profiel en vorming van de parochiepastor geeft Gerard Groener een schets van de complexiteit van de hedendaagse parochie. Hij onderscheidt daarbij tussen een parochie als sociale groep, als service-instelling en als evangelische beweging.
Als sociale groep vertoont de parochie trekken van de 'extended family': veel informele relaties, nadruk op gezelligheid, relatiegericht en met de nodige kleinere netwerkvorming. In het fenomeen van de parochie als service-instelling voert de vraag naar religieuze dienstverlening de boventoon: taakgericht, kwalitatief onderscheidend, doorgaans zonder blijvende binding met de geloofsgemeenschap. Als evangelische, ideële beweging verstaat de parochie zichzelf als het gist in de deeg: programmatisch van aard, handelend vanuit diepe overtuigingen, waardengericht. "De normale gang van zaken is dat de interesse voor de drie dimensies verandert in de loop van iemands leven en mede bepaald wordt door ervaringen in het leven".
Ieder segment van deze realiteit vraagt om een andere rol en methodische aanpak van de pastorale beroepskracht. Voor de sociale groep is kleinschaligheid troef en is de pastor met name animator; met het oog op de religieuze dienstverlening wordt geconstateerd dat het gemakkelijk tot een grootschalig aanbod kan komen en is de pastor een dienstverlener met stijl; en voor de parochie als ideële, evangelische beweging is grootschaligheid geen hindernis en is de pastor eerder een charismaticus en bondgenoot.
Het valt mij op dat het ontwerp beroepsprofiel van deze meerdimensionaliteit slechts op bescheiden wijze rekenschap aflegt.
Sterker nog, het lijkt wel of het beroepsprofiel is opgesteld in de cocon van een stormvrije zone. Zeker, parochies worden als complex gezien en samenwerkingsverbanden van meerdere parochies maken het er niet gemakkelijker op. Maar verder ademt het profiel toch vooral de sfeer van een zekere nostalgie: een pastor die het hele terrein van de klassieke kerktaken bestrijkt, aan taakverdeling doet én voor het geheel inzetbaar blijft (vergelijk tweede ontwerp 6). Dat is grotelijks de werkelijkheid zoals ik die als personeelsadviseur aantref, maar waarvan ik ook merk hoezeer die onder druk staat.
Al eerder heb ik er daarom voor gepleit de mogelijkheid van een benoeming als territoriaal eerstaanspreekbare kritisch te evalueren.
De parochie is een complexe realiteit: sociale groep, service-instelling en evangelische beweging. Is het niet zo dat de overheersende karakterisering van de functie van de parochiepastor in termen van nabijheid en presentie (eerste ontwerp 10; tweede ontwerp 6) de verleiding groot maakt de focus vooral te leggen op het eerste segment, de sociale groep? Is het niet zo dat de gegeven opsomming van taken (pastorale begeleiding, liturgie, diaconie, catechese, opbouw-bestuur-beheer) de pastor vooral bepaalt bij wat traditioneel usance is?
Hier zou de VPW de in het derde ontwerp toegevoegde taak van 'innoverend werk' (staat op een achtste plaats!) op zichzelf hebben mogen toepassen; tenminste als men met het beroepsprofiel werkelijk een poging heeft willen ondernemen ''een zakelijke beschrijving te geven van de toekomst van het beroep'' (tweede ontwerp 4).
Dat brengt mij bij het laatste punt van deze paragraaf.
3.
Ik breng het graag in herinnering: de parochie is een instrument van evangelisatie, zij heeft een missionaire opdracht die samenhangt met haar wezen. Een gemeenschap van christengelovigen die zich, dankend en biddend, laat inzetten om aan een ieder die het horen wil in woord en daad getuigenis af te leggen van onze Heer en Herder en Hem zo aanwezig weet.
Wil deze evangelisatie kans van slagen hebben dan moet voldaan worden aan een aantal randvoorwaarden. Zo moeten U en ik bereid zijn die last persoonlijk op ons te nemen en moeten wij in onze pogingen ondersteund worden door de geloofsgemeenschap waar wij deel van uitmaken. Precies op dit punt mag de parochie zichzelf herontdekken. Samenwerking Geboden past in dit kader. Deze beleidsnota over de organisatie van de territoriale pastoraal in het bisdom Rotterdam heeft immers een duidelijke doelstelling: "krachten bundelen opdat we krachten vrijmaken voor deze missionaire dynamiek''.
De vorming van grotere pastorale eenheden wordt dus niet alleen nagestreefd om het schaarse pastorale personeel beter te kunnen inzetten en om de organisatie aan te passen aan het teruglopend draagvlak, maar wil ook stimuleren dat de kerk zich meer missionair gaat opstellen.
Het is daarom zaak naast de kerngroep van kerkelijk betrokken mensen eveneens oog te hebben voor de grote groep van matig religieus geïnteresseerden en andere leden van de samenleving. Het ondersteunen van parochies bij het (her)vinden van de missionaire opdracht zal de komende jaren de nodige inzet en inventiviteit vragen. Dat betreft dan de begeleiding in concrete situaties en de beleidsontwikkeling op het vlak van de missionaire kerk. Die opdracht geldt ons allen.
De vraag is of in het ontwerp beroepsprofiel van deze uitdaging voldoende rekenschap wordt afgelegd. Als het al gebeurt, dan in ieder geval bescheiden
. Ik mis iets van vuur, een brandend verlangen naar buiten te treden met onze Boodschap. Vreest dan niemand het woord uit de Apokalyps van Johannes, hoofdstuk 3 de verzen 15 en 16?
Het effect van de voorliggende ontwerpen is, ben ik bang, dat de bestaande situatie van parochies en parochiepastores die vooral gericht zijn op de eigen kring en belevingswereld, tot zelfbehoud, bevestigd wordt. Uiteindelijk zijn wij toch liever herbergier dan marskramer.
En er is zoveel werk te doen. Missionaire, innovatieve impulsen zijn dringend nodig; concepten en modellen moeten ontwikkeld worden om het werken kader en bedding te geven. Dat vraagt ook dat kritisch gekeken wordt naar de inzet van mensen en middelen. Waar wordt alles en iedereen op ingezet? Is die vanzelfsprekendheid te doorbreken, bijvoorbeeld door een andere beleidsmatige en bestuurlijke prioritering?
We moeten ons afvragen wat de dringende uitnodiging tot evangelisatie en missionaire dynamiek betekent voor het profiel van de parochiepastor en de taakstelling van een bisdombureau. Gebeurt dat niet, dan gebeurt er niets. Als richtsnoer mag ons daarbij voor ogen staan dat de kerk ''geen doel op zich is, maar vurig verlangt geheel van Christus, in Christus en voor Christus te zijn en geheel van de mensen, onder de mensen en voor de mensen''.
Het is één van de beloften van ons geloof dat het zijn-met-Christus ons openbreekt en openhoudt naar een intermenselijke solidariteit.
nut en noodzaak van teamwork
Samenwerking Geboden heeft een bisdombrede beweging op gang gebracht. Parochies, dekenaten en het bisdom hebben veel tijd en menskracht in dit proces gestoken. Al deze inspanningen zijn niet zonder vrucht gebleven: inmiddels zijn 35 samenwerkingsverbanden ontstaan, waarbij 114 parochies betrokken zijn (dat is 74% van het totale aantal parochies). Het aantal parochies is door samenvoegingen gedaald tot 154 (op 31-12-1996: 189).
Er is bij dit alles een situatie aan het groeien, waarin binnen een territoriaal geordend geheel een netwerk van (vitale) christelijk knooppunten aan het ontstaan is -met witte vlekken daartussenin.
Tegen de achtergrond van Samenwerking Geboden ontstond verder een intensief gesprek over de kerkgebouwen en de investeringen (qua menskracht en middelen) die het vaak vraagt om ze in goede staat te houden. Het bisdom heeft sturing aan dit gesprek gegeven door in 2001 de notitie Tent van God te publiceren. De bedoeling van dit schrijven is allereerst om te komen tot een brede sensibilisering met betrekking tot de toekomst van de kerkgebouwen. Daarnaast worden wegen aangegeven waarlangs toekomstig beleid rondom kerkgebouwen vorm kan krijgen. Standaardoplossingen zijn daarbij niet voorhanden, omdat het onderwerp daarvoor te moeilijk is en de verschillen te groot zijn. Maatwerk en ongelijktijdigheid zijn troef.
De samenwerkingsverbanden die aldus zijn ontstaan zijn verschillend van aard en omvang. Ik geef enkele voorbeelden.
De parochiefederatie Goeree-Overflakkee: drie in een lichte federatie samenwerkende parochies die qua territorium het hele Zuid-Hollandse eiland omvatten, 3.504 rooms-katholieken tellen, vijf kerkgelegenheden rijk zijn en professioneel worden ondersteund door één fulltime priester (met een 0.5 fte vacature voor een pastoraal werk(st)er).
De nieuwe parochie St.Bonifatius: een samenvoeging van vijf parochies die qua territorium heel Rijswijk en de Zuidoost hoek van de stad Den Haag omvat, 18.349 rooms-katholieken telt, vier kerkgelegenheden rijk is en professioneel wordt ondersteund door een team van één fulltime priester, één fulltime diaken, een pastoraal werkster met een 0.2 fte aanstelling en binnenkort wordt aangevuld met een 0.8 fte pastoraal werkster. De eindverantwoordelijkheid is in handen van een administrator op afstand.
In het midden van Het Groene Hart ligt de parochiefederatie De Regenboog: een lichte federatie van zeven parochies die zich qua territorium uitstrekt van Langeraar tot en met Zegveld. Dit samenwerkingsverband telt 13.584 rooms-katholieken, acht kerkgelegenheden en wordt bediend door een team van twee fulltime priesters en twee fulltime pastoraal werksters.
Binnen de ruit van snelwegen ligt op de rechter Maasoever de federatie VerHilFam:
drie parochies met een personele unie van bestuur, die geheel of gedeeltelijk de Rotterdamse wijken Bergpolder, Liskwartier, Agniesebuurt, Oude Noorden, Rubroek, Stadsdriehoek, Oud en Nieuw Crooswijk en Kralingen-West omvatten, 16.460 rooms-katholieken tellen, vier kerkgelegenheden herbergen en ondersteund worden door één fulltime priester (met een 1.0 fte vacature voor een pastoraal werk(st)er).
Alle genoemde samenwerkingsverbanden zijn intensief betrokken bij het proces Tent van God, met verschillende uitkomsten. OpGoeree-Overflakkee wordt geen sluiting aanbevolen, de St.Bonifatiusparochie zou één kerkgelegenheid moeten afstoten en ook de federatie De Regenboog zou één kerkgelegenheid moeten inleveren; in de federatie VerHilFam ten slotte wordt geadviseerd van twee kerkgelegenheid afscheid te nemen. Deze dekenale adviezen worden thans in intensieve gespreksronden met alle betrokkenen in een besluitvormingstraject gebracht.
Tegen deze achtergrond is het niet moeilijk nut en noodzaak van teamvorming in te zien, hoewel de organisatorische verbanden soms ontoereikend zijn om dat ook te realiseren.
Op dit punt aangekomen wil ik even bij de ontwikkelingen rond het fenomeen team stilstaan. Ik stel dat opnieuw op twee niveaus aan de orde.
Op conceptueel niveau constateer ik binnen onze rooms-katholieke kerk een achterblijvende reflectie op wat een professioneel pastoraal team is en voorstelt. ''Nodig is een verdere bezinning op wat een team theologisch gesproken eigenlijk is. De vragen naar het ecclesiologisch fundament, het ambtstheologisch draagvlak en de canonieke verankering van een pastoraal team dienen beleidsmatig met voorrang beantwoord te worden. Gebeurt dat niet of onvoldoende dan blijft teamvorming steken op het niveau van een praktische voorziening, die gemotiveerd wordt door nood. In dat geval worden de positieve krachten van een team onvoldoende gemobiliseerd en de verwachtingen van de parochianen waarschijnlijk bijgesteld op grond van een betreurde deficiëntie''.
Op organisatorisch niveau blijft teamvorming kwantitatief en kwalitatief achter bij de gestelde verwachtingen. Kwantitatief omdat de samenwerkingsverbanden die ontstaan vaak te klein zijn om getalsmatig gezien teamvorming te rechtvaardigen en te realiseren. Ook kwalitatief bevindt teamvorming zich door de bank genomen nog in een beginnend stadium. Dat kan ook bijna niet anders in een werkomgeving waar de eerstaanspreekbaarheid voor menigeen de status van een ideaal heeft. Samenwerken als team moet worden geleerd.
Van het boek van Groener is mij in ieder geval bijgebleven dat behoedzaam omgegaan moet worden met de koppeling tussen de toekomst voor parochies en de oplossing van het personeelsprobleem.
Beide moeten losser, minder krampachtig met elkaar in verband worden gebracht.
Wellicht dat de gedachte van het team als project, waar ik de laatste tijd mee bezig ben, daar iets aan kan toevoegen. Het gaat om een vorm van projectmatig werken, waarbij het team niet een project hééft, maar zelf het project ís. In dat geval worden alle teamleden voor een bepáálde tijd benoemd en is er overeenstemming over het na te streven doel, de te volgen werkwijze, de te hanteren middelen en het te doorlopen tijdsbestek. Na afronding van het project wordt het team ontbonden en krijgen de teamleden een nieuwe benoeming in een nieuw project. Dit alles maakt een duidelijk ''evaluatief moment, met de bijbehorende mogelijkheid van een bijstelling van het project en mutaties in de samenstelling van het team, tot een voor de hand liggende zaak''.
De bedoeling van het voorstel een team als project op te vatten, ligt dus in het aanbrengen van een focus: qua duur en qua opdracht. Het vergroot de mobiliteit, geeft verder uiting aan de solidariteit tussen gemeenschappen onderling (niemand is meer 15 jaar of langer pastor in één en dezelfde parochie of hetzelfde samenwerkingsverband), het geeft de belangrijke elementen van planning en prioritering een organieke plaats in de eigen professionaliteit, het biedt mogelijkheden tot profilering van deskundigheid en is een stap in de richting om nut en noodzaak van teamvorming niet generiek (wie heeft er geen pastor nodig?) maar specifiek te verankeren. Dat laatste is niet onbelangrijk om de missionaire dynamiek bisdombreed te (kunnen) stimuleren.
Als ik de pointe van het voorgaande goed tot mij laat doordringen en ik kijk dan naar het ontwerp beroepsprofiel, dan leg ik het volgende - opnieuw - vragenderwijs aan U voor.
1.
Het ontwerp beroepsprofiel stelt dat de verschillende taken van de parochiepastor ''enkel in een samenwerkingsverband van parochiepastores gerealiseerd kunnen worden'' (tweede ontwerp 6). Ik ben het daar mee eens en juich het toe dat deze insteek in de 'ontwerpen beroepsprofiel' ook, zij het nog bescheiden, positief inhoudelijk wordt gefundeerd: teamvorming is een uiting van concrete collegialiteit en is daarom een aspect van het ambtelijk zelfverstaan (derde ontwerp 5). Het is een omissie dat in de verschillende profielen dit element niet verder wordt uitgewerkt, niet anders dan door de onderscheiden canonieke competenties en bevoegdheden kritisch te bevragen. Tegelijkertijd roept de keuze voor samenwerkingsverbanden van pastores ten dienste van samenwerkingsverbanden van parochies, op meerdere fronten en in een heftige intensiteit de vraag op naar de blijvende mogelijkheden van pastorale nabijheid. ''Als pastores in tweestrijd komen tussen een met het verstand beaamde noodzaak tot schaalvergroting en een door het hart verlangde nabijheid aan mensen, is de uitkomst bij voorbaat duidelijk: het hart wint het altijd''.
Mij lijkt dat het ontwerp beroepsprofiel erop inzet middels teamvorming én tegemoet te komen aan de poging om via de koppeling tussen schaalvergroting en teamvorming het hele basispakket van de parochiepastoraal te kunnen blijven aanbieden, én langs die weg nabijheid voldoende veilig te stellen. ''Samenwerkingsverbanden maken het immers mogelijk meer taakgericht dan plaatsgericht te werken'' (tweede ontwerp 7, 8). Nu kan ik mij voorstellen dat een taakgerichte aanpak, waarbij een pastor bijvoorbeeld eerstverantwoordelijke is voor de catechese in de acht aangesloten parochies binnen een federatie, niet helemaal de nabijheid is die men voor ogen heeft. Waar ik echter vooral tegen aanloop is de stilzwijgende gedachte (of beter: hoop) dat beide uitgangspunten tegelijkertijd te realiseren zijn. Daar moet ik vanuit mijn werk als personeelsadviseur in toenemende mate grote vraagtekens bij zetten. Het is derhalve jammer dat in het ontwerp beroepsprofiel niet nader wordt aangeduid wat met nabijheid nu eigenlijk precies (pastoraal en theologisch) wordt bedoeld.
Het ontbreken van een reflectie op het woord nabijheid (dat voor menigeen een welhaast mythische klank heeft) legt een enorme hypotheek op mogelijkheden om tot gezamenlijke oplossingen te komen, juist omdat het hart het altijd van het hoofd wint.
Aan de orde is daarom ook de vraag naar de positionering van de parochiepastor. Lapidair gezegd: is hij of zij nu pastor in of voor de parochie? Dat lijkt een semantisch spel, is het evenwel niet, hoewel ook ik weet dat het hier om accentverschillen gaat. Ik verwacht dat de VPW zal kiezen voor een positionering van de parochiepastor voor de parochie. Hij of zij is er immers ten dienste van de geloofsgemeenschap (eerste ontwerp 10; tweede ontwerp 6), zijn of haar werk vormt een ''dienstwerk aan de roeping en zending van geloofsgemeenschappen'' (derde ontwerp 3v.). Dat biedt perspectieven om in het pastorale werk de onvermijdelijke afstand niet per se als afstandelijkheid te hoeven beleven. Dit (probleem)bewustzijn zou een plaats mogen krijgen in het beroepsprofiel.
2.
Eén van de motieven om tot teamvorming over te gaan is dat dit de mogelijkheid biedt om tot functiedifferentiatie te komen. Zo wordt gewaarborgd dat in een team alle benodigde kwaliteit aanwezig is, zonder dat pastores noodzakelijk tot generalisten worden, iets wat met de voortschrijdende professionalisering steeds moeizamer mogelijk is. Ook het ontwerp beroepsprofiel kiest voor die weg; aarzelend en nog het minst uitgewerkt, zoekend tussen een inductieve invulling (op grond van de pastorale arbeid) en een deductieve opvatting (op grond van een normatieve ambtstheologie).
Functiedifferentiatie is in het bisdom Rotterdam geen diocesaan beleid. Dat wil niet zeggen dat het niet voorkomt (!) of door het bisdom niet ondersteund zou worden. Functiedifferentiatie speelt zich met name af op het niveau van de taaktoedeling: de afspraken die met priesters, diakens en pastoraal werk(st)ers worden gemaakt bij hun benoeming en aanstelling en die voor de pastoraal werk(st)ers in de arbeidsovereenkomst worden vastgelegd. Ik moet eerlijk bekennen dat functiedifferentiatie met dit instrument personeelstechnisch nauwelijks te managen is.
Niet alleen is het zo dat doorgaans de voorkeur van de parochies wordt gevolgd bij de taakverdeling (en die willen nog steeds het liefst van alles wat), maar als dan eenmaal taken zijn afgesproken wordt - in ieder geval door de personeelsafdeling - slechts secundair gevolgd of men zich ook aan deze taken houdt. Het is dan toch een beetje als met Gods water over Gods akker: het stroomt waarheen het wil. Het is daarom dringend nodig dat wij hier een uitgebalanceerder instrumentarium aangereikt krijgen. In ieder geval is de vacaturestelling strikter te binden aan criteria van inhoud en noodzaak en kunnen wij ons terughoudendheid bij het voeren van functionerings- en beoordelingsgesprekken niet langer permitteren.
Juist op dit punt is verdere gedachtevorming dringend gewenst en komt het derde ontwerp nauwelijks boven het tweede uit. Dat is te betreuren. De wijze waarop het ontwerp beroepsprofiel over functiedifferentiatie en teamvorming spreekt lijkt mij bovendien voor misverstanden vatbaar. Ik bedoel het volgende. Het profiel kent aan de parochiepastor vijf taken toe en zegt vervolgens dat deze taken enkel nog in een samenwerkingsverband gerealiseerd kunnen worden. Aldus ''is het mogelijk én alle taken te verrichten én taakverdeling aan te brengen'' (tweede ontwerp 6). Dat betekent dat één en dezelfde persoon niet alle vijf taken kan of hoeft te vervullen en tóch als parochiepastor gezien wordt. Met andere woorden: de volheid van de functie van parochiepastor is (nog slechts) op teamniveau aanwezig. De functionele opvatting wordt hier tot in het extreme opgerekt (beter: stuit op zijn grenzen): de parochiepastor als categorie. Met het oog op het professioneel welzijn zou dit in het beroepsprofiel verder verhelderd moeten worden: hoe zijn identiteit en functionaliteit, juist in de context van schaalvergroting, teamvorming en functiedifferentiëring, in balans te houden? Ik merk dat daar in de praktijk grote behoefte aan is.
Voor wat betreft de deskundigheidsbevordering die in het ontwerp beroepsprofiel minimaal op 5 dagen per jaar gesteld wordt
(eerste ontwerp 11; tweede ontwerp 9) sta ik geheel aan de kant van de VPW.
Ik hoop dat wij het snel eens kunnen worden over een bijpassend stelsel van accreditatie. Ik vraag mij wel af of de suggestie in het derde ontwerp om de deskundigheidsbevordering van de pastor tot één van zijn of haar taken te verheffen (9) de juiste weg is (voordat we het weten verdiept het de klacht van een toenemende werkdruk). Van academici die zichzelf serieus nemen, mag meer verwacht worden. Het blijft toch zoiets als dat in de taakomschrijving van een pastor wordt vastgelegd dat hij/zij ook zelf regelmatig behoort te bidden.
aanbevelingen
Ten slotte neem ik de vrijheid enkele aanbevelingen te noteren die tevens kunnen dienen als samenvatting van mijn betoog. Ik heb daarbij enkele vragen en uitdagingen van het personeelswerk in een bisdom voor ogen en vraag mij af in hoeverre het ontwerp beroepsprofiel van een parochiepastor daarin soelaas biedt.
Nodig is een nadere reflectie op de taak van de parochiepastor bij de vorming van vrijwilligers
en een verdere doordenking van wat het betekent als parochiepastor tweedelijns te werken.
Dit vraagt om een uitwerking van wat onder pastorale nabijheid te verstaan is.
Conform het VPW-uitgangspunt van de parochie als eerstgeroepene, dient de meerdimensionaliteit van de parochies stringenter vertaald te worden in positie en taak van de parochiepastor.
Daar hoort ook bij dat er in het ontwerp beroepsprofiel expliciet ruimte wordt gemaakt om uiting te geven aan de missionaire opdracht van de parochie als instrument van evangelisatie.
Er is behoefte aan diepgravender studie over de (ambts)theologische betekenis van een pastoraal team.
Verhelder, tegen de achtergrond van teamvorming en functiedifferentiatie, verder de relatie tussen identiteit en functionaliteit.
Voor wat betreft na- en bijscholing: laat niet af.
Ik dank U voor uw aandacht.
R-J.R.P.M. Peeters
december 2004
[ overzicht ]
Ik zie ik zie wat jij niet ziet
Enkele opmerkingen bij het 'ontwerp beroepsprofiel parochiepastor' van de federatie VPW
inleiding
Centraal staat de toekomst van het beroep van parochiepastor. De functionele benadering van de 'ontwerpen beroepsprofiel' wordt opgenomen en in gesprek gebracht met het diocesaan personeelswerk.
toegerust tot de dienst aan de parochie?
Insteek van diocesaan personeelsbeleid: versterken van het zelfdragend vermogen van parochies. Om het belang van de versteviging van dit zelfdragend vermogen goed in het vizier te krijgen is het dienstig terug te grijpen op enkele ontwikkelingen rond het fenomeen parochie. Twee niveaus:
conceptueel niveau: parochie als gemeenschap van gelovigen
organisatorisch niveau: processen van schaalvergroting
Tegen deze achtergrond is het volgende te vragen aan het ontwerp beroepsprofiel:
is er voldoende aandacht voor de vrijwilligers en het tweedelijns werk?
is er voldoende doorwerking in het profiel van de meerdimensionaliteit van de hedendaagse parochie?
waar is de missionaire opdracht van de parochie?
nut en noodzaak van teamwork
Schaalvergroting en teamvorming zijn te onderscheiden, maar niet te scheiden. Het is goed stil te staan bij enkele ontwikkelingen rond het fenomeen team. Twee niveaus:
conceptueel niveau: wat is een team theologisch gesproken?
organisatorisch niveau: teamvorming als projectmatig werken
Tegen deze achtergrond is het volgende te vragen aan het ontwerp beroepsprofiel:
schaalvergroting, teamvorming en pastorale nabijheid, kan dat allemaal tegelijk?
hoeveel functiedifferentiëring verdraagt een goede balans tussen identiteit en functionaliteit?
aanbevelingen
Nodig is een nadere reflectie op de taak van de parochiepastor bij de vorming van vrijwilligers
en een verdere doordenking van wat het betekent als parochiepastor tweedelijns te werken.
Dit vraagt om een nadere uitwerking van wat onder pastorale nabijheid te verstaan is.
Conform het VPW-uitgangspunt van de parochie als eerstgeroepene, dient de meerdimensionaliteit van de parochies stringenter vertaald te worden in positie en taak van de parochiepastor.
Daar hoort ook bij dat er in het ontwerp beroepsprofiel expliciet ruimte wordt gemaakt om uiting te geven aan de missionaire opdracht van de parochie als instrument van evangelisatie.
Er is behoefte aan diepgravender studie over de (ambts)theologische betekenis van een pastoraal team.
Verhelder, tegen de achtergrond van teamvorming en functiedifferentiatie, verder de relatie tussen identiteit en functionaliteit.
Voor wat betreft na- en bijscholing: laat niet af.