REACTIE FEDERATIE VPW NEDERLAND OP ‘MEEWERKEN IN HET PASTORAAT’
Vooraf
In september 1999 verscheen ‘Meewerken in het pastoraat’ (‘Meewerken...’), de beleidsnota van de Nederlandse Bisschoppenconferentie bij de ‘Instructie over enige vragen betreffende de medewerking van lekengelovigen aan het dienstwerk van de priesters’.
De nota beoogt een beleidskader aan te reiken ‘voor de pastorale activiteit van gelovigen die niet tot priester of diaken gewijd zijn’, ter vertaling naar de Nederlandse situatie van wat er in de ‘Instructie’ aan kerkelijke rechtsregels bij elkaar is gezet. Tevens willen de bisschoppen een ‘visie geven op de betekenis van de pastoraal werk(st)ers voor het kerkelijk leven en pastoraat’.
In een persbericht van 10 september 1999 heeft de Federatie VPW Nederland een eerste reactie gegeven op het verschijnen van de nota. De reactie was overwegend positief. Kontaktblad 99/4, dat verscheen in december 1999 met de titel ‘Samenwerken in het pastoraat’, was geheel gewijd aan reacties op de nota, en centreerde zich op de titel ‘pastor’: “Het woord ‘pastor’ willen reserveren voor priesters is een poging het ambt van de priester gewicht mee te geven ten koste van de ‘functie’ pastoraal werk(st)er. De kwestie staat als pars pro tot voor de strekking van de gehele brief: het veilig stellen van het gewijde ambt”. In de artikelen wordt gesteld dat het woord ‘pastor’ een vrij woord is, en dat er inderdaad behoefte is aan de functie pastoraal werk(st)er als een permanent en eigensoortig ambt, dat op basis van de pastorale opdracht de titel ‘pastor’ verdient. Kontaktblad 2000/5, dat verscheen in december 2000, bevat een dossier rond ‘Meewerken...’: een samenvatting van de gesprekken die bisdomleidingen, pastores en gelovigen met elkaar gevoerd hebben in het jaar 2000, en een aantal artikelen rond kernpunten uit de discussie: het gebruik van beelden, de inhoudsbepaling van pastoraat, de positie en inhoud van de eucharistie, de relatie tussen priester en pastoraal werk(st)er bezien vanuit het kerkelijk recht, en aandacht voor professionaliteit en spiritualiteit.
‘Meewerken...’ is uitvoerig besproken, ook in de VPW’s. In de nu volgende tekst geeft de Federatie VPW Nederland een inhoudelijke reactie op ‘Meewerken...’, op basis van het voorafgaande materiaal.
Erkenning pastoraal werk(st)er.
Met instemming stelt het Federatiebestuur vast dat er sprake is van consolidatie met betrekking tot de positie van de pastoraal werk(st)er. Alle partijen, gelovigen, pastores, en nu ook de bisschoppen delen het inzicht dat de functie van pastoraal werk(st)er een permanente status heeft gekregen. Het ambt van pastoraal werk(st)er is van een noodoplossing in tijden van priesternood geworden tot een functie, die van blijvende waarde is voor de kerk.
De pastoraal werk(st)er verscheen op het toneel in de periode 1965 tot 1970. De eerste lichting bestond uit mannen, voor wie het celibatair priesterschap geen optie meer was, maar voor wie toch een plaats gevonden moest worden omdat er anders evident talent en onmiskenbare pastorale roeping verloren zou gaan. In een tweede ronde gingen pastoraal werk(st)ers aan het werk op basis van een rechtstreekse zending en roeping. Naast mannen namen nu ook vrouwen een functie op zich in het pastoraat. Priesters ontvingen hen als collega’s en deelden graag met hen de naam ‘pastor’. In de concrete samenwerking ervoeren priesters de pastoraal werk(st)ers qua professionaliteit en spiritualiteit als gelijkwaardig en aanvullend.
In de loop van de daarop volgende jaren, die getekend werden door ambtsverlating en een groeiend tekort aan priesters, begon het aantal pastoraal werk(st)ers te voorzien in de ontstane lacunes. Zij waren welkom, en tevens noodzakelijk om de bemensing van het parochiepastoraat en andere vormen van pastoraat op peil te houden. Het is in die jaren dat menig pastoraal werk(st)er met gemengde gevoelens zijn functie beleeft, namelijk als “gedoogd”. Anders gezegd: De pastoraal werk(st)er is welkom, maar zogauw het tekort aan priesters opgeheven is, dient hij of zij van het toneel te verdwijnen.
Het is verheugend te constateren dat de beleidsnota een eind maakt aan deze gedoogsituatie en dat de functie van pastoraal werk(st)er in de beleidsnota gezien wordt als een permanente functie, die op eigen wijze een bijdrage levert aan het geloofsleven en het pastoraat.
Van belang is dat ook de bisschop van Roermond zijn handtekening onder de beleidsnota heeft gezet. Teleurstellend is dat de 130 pastoraal werk(st)ers in het bisdom Roermond niet vermeld worden. De gezamenlijke VPW’s spreken de hoop uit dat de tussen de bisschop en de VPW Roermond gesloten overeenkomst leidt tot de bevestiging van pastoraal werk(st)ers door de bisschop en de verlening van de kerkelijke zending.
We stellen vast dat de bisschoppen op verschillende wijze uitvoering geven aan ‘Meewerken...’. Onze waarnemingen leiden tot enkele zorgpunten.
Waar in de bisdommen gestreefd wordt naar de verhouding 1 op 1 betreffende de verhouding van priesters tot pastoraal werk(st)ers, spreken wij uit dat wij dit een heilloos uitgangspunt vinden. Zo wordt een kunstmatig tekort aan pastorale beroepskrachten gecreëerd. De gevolgen voor de bemensing en de werkdruk van het pastoraat in parochies en instellingen zijn rampzalig. Het werk zal vastlopen en het welzijn van pastores zal eronder lijden.
We vrezen dat in een enkel bisdom de formele erkenning van de pastoraal werk(st)er in ‘Meewerken...’ gepaard gaat met een feitelijk ontmoedigingsbeleid. De leiding van het bisdom Haarlem biedt bij nieuwe benoemingen pastoraal werk(st)ers uitsluitend een arbeidsovereenkomst annex detacheringovereenkomst van drie jaar aan. Dat maakt de werksituatie voor pastoraal werk(st)ers feitelijk minder aantrekkelijk. Wij spreken ons dan ook uit tegen deze constructie, omdat zij niet in overeenstemming is met het doel van artikel 8 van het Rechtspositiereglement, en vanwege vakinhoudelijke motieven. Zie de brief van de LKR d.d. 11 mei 2001 aan de Apostolisch Administrator van het bisdom Haarlem.
Een zorgpunt is dat meerdere pastoraal werk(st)ers de houding van enkele bisschoppen ondanks het verschijnen van ‘Meewerken...’ als ambivalent blijven ervaren. De pastoraal werk(st)ers waarderen de erkenning, maar ervaren tegelijk verwarring: ‘we worden erkend en tegelijkertijd afgewezen, en onze bisschop straalt uit dat wij problematisch zijn’.
Een belangrijk zorgpunt is de aantasting van de uniformiteit van het Rechtspositiereglement voor pastoraal werk(st)ers. De inzet van het Rechtspositiereglement was het creëren van uniformiteit in de positie van pastoraal werk(st)ers in de zes bisdommen. Daar is in de beginjaren met grote inzet en zorgvuldigheid aan gewerkt. Nu de bisschoppen de pastoraal werk(st)er beschouwen als een permanente voorziening in de Nederlandse Kerkprovincie, moeten we vaststellen dat zij op hetzelfde moment geen uniform beleid voeren met betrekking tot tweedelijns functies. In het ene bisdom is bijvoorbeeld een dekenaal beleidsmedewerker wel een pastorale functie, en in het andere bisdom niet. Hier wreekt zich dat in artikel 1c van het Rechtspositiereglement geen enkele inhoudelijke vulling wordt gegeven aan de functie pastoraal werk(st)er. Voor de komende jaren is het daarom van groot belang dat de inhoud van de functie pastoraal werk(st)er nader vastgesteld gaat worden en een plaats krijgt in de tekst van het Rechtspositiereglement. De gezamenlijke VPW’s zullen zich hiervoor inspannen.
Professionaliteit en spiritualiteit
Het Federatiebestuur is verheugd dat de bisschoppen voor het eerst en eindelijk de thematiek van professionaliteit en spiritualiteit als hoeksteen van pastoraat in een gemeenschappelijk document hebben opgenomen.
Dit onderdeel van de nota betreft priesters, diakens en pastoraal werk(st)ers in gelijke mate. De eigenheid en kwaliteit van het pastoraat is gebouwd op het noodzakelijke samenspel van spiritualiteit en professionaliteit. Professionalisering is de onderkenning van het belang van de kwaliteit van de pastorale arbeid, en van de uitdrukkelijke wens om het ambt en de functie verder te ontwikkelen. Deze professionalisering dient gebouwd te zijn op een goed samenspel tussen de theologische opleidingen, de kerkelijke leiding en de pastores, met andere woorden een zorgvuldig samenbrengen van wetenschappelijke inzichten, beleidsuitgangspunten en ervaringen op de pastorale werkvloer. Om deze reden vinden wij het van groot belang dat er de komende jaren een duidelijke en meer verplichtende structuur ontstaat met betrekking tot de nascholing en deskundigheidsbevordering van alle pastores. Wij zijn van mening dat pastores minimaal vijf dagen per jaar dienen te besteden aan deskundigheidsbevordering. Wij roepen de opleidingen, de bisdomleidingen en de pastores op in gezamenlijkheid vorm te geven aan de invulling daarvan, dus aan een structuur van permanente scholing.
Wij stellen vast dat professionaliteit en spiritualiteit niet tegen elkaar worden uitgespeeld. Zij worden uitdrukkelijk in verbondenheid met elkaar genoemd en beschouwd. Dat is een belangrijk uitgangspunt. De pastor is ‘met een vak bezig’ dat zijn oorsprong vindt in de omgang van mensen met God. De VPW’s hebben in het Statuut van de Federatie VPW Nederland (Basisprogram 1988) – de ‘grondwet’ van de gezamenlijke VPW’s - uitdrukkelijk gekozen voor de professionalisering van het pastorale beroep. In de daarop volgende jaren vonden er regelmatig discussies plaats, waar professionaliteit en spiritualiteit wel tegen elkaar werden uitgespeeld. Vanaf het begin echter hebben de VPW’s professionaliteit en spiritualiteit altijd in verbondenheid met elkaar gezien: “De bevordering van de deskundigheid dient samen te gaan met de bevordering van de spiritualiteit van de pastor, opgevat als het proces waarin de betekenis van het christelijk geloof voor het persoonlijk en maatschappelijk leven wordt ervaren en toegeëigend” (Basisprogram blz. 9). Wij zijn dan ook blij dat dit hoofdstuk in de nota terecht is gekomen als een oproep aan alle pastores om ‘van hun geloof hun werk te maken’.
Eigensoortige functie
Met instemming stelt het Federatiebestuur vast dat ‘Meewerken...’ ernaar streeft de functie van pastoraal werk(st)er positief te verwoorden door eerder te formuleren wat de functie wel dan wat deze niet in houdt. De functie – ‘Meewerken...’ reserveert de term ‘ambt’ voor de priester en diaken, en spreekt bij de pastoraal werk(st)er over een functie - wordt een eigensoortige functie genoemd, die een eigen bijdrage levert aan het pastoraat en de kerk.
De komst van de pastoraal werk(st)er riep vanzelfsprekend vanaf den beginne vragen op met betrekking tot de onderlinge positiebepaling van de ambten. Dat een nieuwe tijd om nieuwe ambten zou vragen, dat was rond 1970 en daarna, toen ook het diakenambt een herwaardering ondervond, een vertrouwd inzicht. Dat er ook vragen zouden opkomen met betrekking tot de verhouding tussen ambtsdragers en leken, en dat de grenzen vervaagden, ook dat was vanaf het begin een gegeven.
De vragen werden besproken in de kring van de VPW’s vanaf de oprichting, die plaats vond in de jaren 1979 tot 1981. Op de tweede landelijke werkdag van de VPW’s op 17 februari 1981 definieerde de theoloog Wil Veldhuis het ambt als volgt: “Ook het ambt is een dienst, maar in de dienstbaarheid wordt daarbij ook een speciale rol vervuld. De ambtsdrager representeert en symboliseert de gemeenschap, doordat hij belast is met de leiding. Het ambt fungeert dus als bindend element van de geloofsgemeenschap, omdat de ambtsdrager een representerend, symboliserend, oriënterend en bindend leiderschap vervult”. Veldhuis stelde in die bijeenkomst dat de pastoraal werk(st)er voor een keuze staat: “Wil hij of zij slechts een professionele dienstverlener zijn binnen de geloofsgemeenschap, of wil hij of zij toe groeien naar de rol van oriënterend en bindend middelpunt van de gemeenschap? In deze keuze ligt de scheidslijn tussen ambtelijke en laïcale gerichtheid”. Hij pleitte vervolgens voor de wijding van de groep pastoraal werk(st)ers, die naar deze ambtelijke gerichtheid streefden. Deze visie zou in de daarop volgende jaren een belangrijke rol gaan spelen in de opstelling van de VPW’s met betrekking tot de ambtsdiscussie.
‘Meewerken...’ stelt terecht vast dat het profiel van de pastoraal werk(st)er aanvankelijk noodgedwongen geënt was op dat van de priester, op dat moment het enig feitelijk beschikbare oriëntatiepunt in het pastoraat. Veel pastoraal werk(st)ers hebben inderdaad hun beroep vorm gegeven naar het model van de priester, exacter gezegd de parochiepriester, op grond van de pastorale opdracht, op grond van het werk dat hen te doen stond, op grond van persoonlijke motieven en ambities.
Feitelijk werd de discussie tussen de ambtelijke of laïcale gerichtheid verbonden met de discussie inzake de toelatingscriteria tot het ambt. Veel pastores vonden toentertijd en nu nog steeds dat ook vrouwen en gehuwden tot het ambt toegelaten dienen te worden. Omdat de kerkelijke leiding echter op dit punt zijn beleid handhaaft, moet de profilering van de verschillende functies in het pastoraat noodgedwongen binnen dat beleidskader plaatsvinden.
Met instemming stelt het Federatiebestuur vast dat ‘Meewerken...’ streeft naar de ontwikkeling van een eigenstandig profiel van de pastoraal werk(st)er naast dat van de priester en diaken. De eigenheid van de pastoraal werk(st)er wordt gezocht op de arbeidsterreinen van katechese, opbouwwerk en missionair pastoraat.
Deze instemming is niet in alle VPW’s even sterk. Er zijn stemmen die blijven kiezen voor een gezamenlijk profiel van alle pastores, waarbij pastoraal werk(st)ers op principiële gronden niet worden buitengesloten van leidinggevende en liturgische taken. Deze opstelling komt mede voort uit de waarneming dat er in “Meewerken...’ niet op positieve gronden gekozen wordt voor een eigen profiel van de pastoraal werk(st)er, maar eerder uit defensieve overwegingen: het veilig stellen van het priesterambt.
Er is echter ook duidelijk instemming met de keuze voor een eigen profilering van de pastoraal werk(st)er, zodat de priester en diaken en pastoraal werk(st)er elkaar in complementariteit aanvullen. Deze instemming wordt vooral ingegeven door de conclusies van het onderzoek, dat de Federatie VPW Nederland heeft laten verrichten naar het feitelijke beroepsprofiel van de parochiepastor. Het onderzoek legde met name twee conclusies op tafel. De eerste conclusie is dat het parochiepastoraat feitelijk van vijf arbeidsterreinen versmald is tot twee, namelijk ‘voorgaan’ en ‘bestuur’. Voorgaan betreft liturgie in de brede zin van het woord. Bestuur betreft bestuur, beheer en opbouwwerk. De tweede conclusie is dat priesters, diakens en pastoraal werk(st)ers in het parochiepastoraat allen dezelfde arbeid verrichten en geen onderscheid in taken en activiteiten laten zien. Om er nu voor te zorgen dat de versmalling wordt tegengegaan en ook katechese, missionair pastoraat en opbouwwerk een structurele plaats blijven behouden in het parochiepastoraat, is het noodzakelijk – mede gezien het tekort aan pastores – differentiatie in functies aan te brengen. Om functionele motieven, om motieven die voortkomen uit de inrichting van de pastorale arbeid zelf, is het verstandig te komen tot een nadere differentiatie van functies in het parochiepastoraat. Derhalve, er is bij velen instemming met het beginsel van differentiatie. Er is echter geen instemming met de wijze waarop ‘Meewerken...’ daar invulling aan geeft, met andere woorden: differentiatie dient niet plaats te vinden op basis van wijding, maar op basis van kwaliteiten en ambities, op basis van de pastorale behoeften ter plaatse.
Om de differentiatie van functies vorm te geven kunnen verschillende wegen bewandeld worden. Het model van een parochiepastor, die in teamverband werkzaam is een verband van parochies, en een deel van zijn arbeid besteedt aan een parochie, en een ander deel aan een regionale taak, lijkt een goede weg om te bewandelen. Ook de keuze voor missionair pastoraat vanuit de parochie is een legitieme weg.
De discussie over differentiatie van functies dient zich echter niet te beperken tot het parochiepastoraat. Er dient ook gekeken te worden naar het pastoraat in de zorginstellingen en naar het categoriale pastoraat, waar doelgroepen vragen om een eigen benadering en een dienovereenkomstige profilering van het pastoraat.
Echter, het streven naar profilering van onderscheiden functies gaat vergezeld van twee problemen. Het eerste probleem betreft het personeelstekort en de leeftijdsopbouw van het pastoresbestand met een gemiddelde leeftijd, die tegen zestig jaar aan loopt. Is differentiatie mogelijk in een tijd dat men eigenlijk alle zeilen bij moet zetten om het pastoraat voortgang te doen vinden, in een tijd dat een grote stad over nog maar twee of drie priesters beschikt? Het tweede probleem betreft de ambtstheologie, die in ‘Meewerken...’ te vinden is. Deze drijft de priester naar een functieprofiel, waar veel priesters niet gelukkig mee zijn, en dat het priesterambt als zodanig niet ten goede komt. Is de ambtstheologie van ‘Meewerken...’ wel een adequaat uitgangspunt voor profilering van pastorale functies?
De discussie over de profilering van de pastorale functies zal de komende jaren intensiever in de VPW’s gevoerd gaan worden, vooral in het kader van het Project Beroepsprofiel Parochiepastor. Leden worden uitgenodigd met elkaar daarover in gesprek te gaan en tot een gezamenlijke visie te komen. De discussie is noodzakelijk, omdat niet alleen de functie pastoraal werk(st)er een identiteit mist, maar ook omdat dit evenzeer geldt voor de priester en diaken.
De term pastor
Het ontzeggen van de term ‘pastor’ aan de pastoraal werk(st)er heeft de meeste emotionele reacties opgeroepen. Hier ligt een voornaam punt van kritiek, waar alles zich bijna verdicht. Wij ervaren de opstelling van ‘Meewerken...’ in dezen als zeer pijnlijk voor de pastoraal werk(st)er en als een inbreuk op de collegialiteit tussen priesters, diakens en pastoraal werk(st)ers. Voor velen is het reserveren van de term ‘pastor’ enkel voor de priester en de diaken een onaanvaardbaar onderdeel van de nota.
Onderzoek van de kerkgeschiedenis leert ons dat er geen grond is voor de opstelling van ‘Meewerken...’. De term pastor is niet gerelateerd aan wijding, maar aan de verantwoordelijkheid voor de zielzorg in de plaatselijke geloofsgemeenschap, dus aan de functie. “De verantwoordelijke voor de zielzorg draagt de term pastor krachtens de volmacht of zending hem door de bisschop verleend, niet krachtens een wijding” (Kontaktblad 99/4, blz. 7).
Onderzoek van het kerkelijk recht leert ons dat de term pastor niet gerelateerd is aan de ‘potestas ordinis’ of wijdingsmacht, maar aan de ‘potestas iurisdictionis’ of jurisdictiemacht. De bisschoppen stellen in ‘Meewerken...’ dat de pastoraal werk(st)er een kerkelijk ‘officium’ vervult (de term ‘ministerium’ wordt gereserveerd voor de priester en diaken). Het ligt toch eigenlijk voor de hand om iemand, die een ‘officium pastoralis’ vervult in de zin van canon 145, pastor te noemen?
Onze opstelling wordt nog eens ondersteund door de gelovigen. Feitelijk gaan mensen in bepaalde situaties, met name bij zin- en levensvragen, op zoek naar een pastor. Of de pastor nu een priester of een diaken of een pastoraal werk(st)er is, is daaraan ondergeschikt.
Ambtstheologie
Velen in de VPW’s zijn negatief over het ideologisch karakter van ‘Meewerken...’: de sterke nadruk op de zondagse eucharistie en de beperkte invulling van sacramentaliteit, voorbehouden aan priesters en diakens. Men ervaart de nota als defensief van aard. Nadere lezing leert dat niet de pastoraal werk(st)er maar de priester het feitelijk subject van de nota is: aan zijn gezag en jurisdictie mag niet worden getornd. De sacramenten, eigenlijk geschonken aan het volk Gods, worden tot bezit gemaakt van de priesterstand, zodat zij zich duidelijk kunnen onderscheiden van de pastoraal werk(st)er. Het veilig stellen van het gewijde ambt krijgt voorrang boven de geestelijke voeding van het Volk Gods. Binnen de sacramenten neemt de eucharistie de meest centrale plaats in als het hart van de kerk. Zo wordt de eucharistie tot een strijdwapen, dat de competentiestrijd tussen priesters en pastoraal werk(st)ers aanwakkert. Terwijl de ambten in het Nieuwe Testament eerder in functie staan van de woordverkondiging, worden de priester en diaken in ‘Meewerken...’ eenzijdig verbonden met de sacramentenbediening. De eenheid van woord en sacrament, toch constituerend voor het ambt en de ambtstheologie, wordt verbroken door het eenzijdige accent op het sacrament als hoeksteen van het ambt. Liturgie wordt teruggebracht tot het model van de ene voorganger tegenover de groep van gelovigen.
Wij stellen vast dat er reeds jarenlang een manifeste ambtscrisis zichtbaar is. De vanzelfsprekendheid van de positie en het gezag van de priester behoren tot verleden tijd. Het aantal pastores is fors gedaald, evenals het aantal roepingen. Weinigen voelen zich geroepen om in de kerk aan de slag te gaan, omdat zij in een geloofwaardigheidscrisis terecht gekomen is en omdat zij geen aantrekkelijke werkgever is.
Deze ambtscrisis hangt ten nauwste samen met een geloofscrisis. Velen hebben de kerk verlaten, met name vanwege de verbinding tussen persoonlijk geloof en institutionele vormgeving. Men heeft geen afscheid genomen van het geloof maar wel van het instituut kerk. Anderen laten zich slechts ten dele verbinden aan de parochie of gezeggen door een uitspraak van de kerkelijke overheid. Weer anderen zijn en blijven lid, en overkomt het dat zij zich soms schamen voor de uitspraken van de kerkelijke overheid op het publieke forum, waar zij mee geïdentificeerd worden.
Tegelijkertijd is bij velen een honger zichtbaar naar zingeving, een religieuze zoektocht naar de bronnen van geloof en spiritualiteit.
Het Federatiebestuur stelt helaas vast dat ‘Meewerken...’ doet alsof er geen crisis is. De crisis in het ambt is geen onderwerp van gesprek, geen uitgangspunt van reflectie, geen start voor het vinden van een richting. De crisis blijft onbesproken, wordt behandeld als een taboe, dat ernstig verzwegen dient te worden. Dat wreekt zich door de hele beleidsnota heen.
‘Meewerken...’ laat de crisis van het ambt onbesproken en haalt enkel een oud bestaand antwoord tevoorschijn. Dat antwoord is geen antwoord. Het biedt geen oplossing, en nog erger, geen richting.
Niet lang na het Pastoraal Concilie kwam er in katholiek Nederland een restauratieve beweging op gang, die de kerk naar binnen heeft willen keren en op een eiland heeft willen plaatsen. De visie op ‘kerk in de samenleving’ werd in de ijskast geplaatst omwille van de kerk rond eucharistie en wijdingsambt, als een zuivere kerk, in een apart pakketje verkrijgbaar. De maatschappij is in ontwikkeling als gevolg van secularisering en individualisering, de mensen zijn in beweging, maar de kerk verplaatst zichzelf naar de marge en vervreemdt. Het gevaar bestaat dat de kerkleiding, omdat zij in de waarneming van mensen niet luistert naar de actuele noden en behoeften, steeds verder weg raakt van de mensen. Sterker gezegd: De kerk, die niet de ‘tekenen des tijds’ verstaat en niet daadwerkelijk met mensen in gesprek gaat, pakt niet de kracht op die in mensen aanwezig is. Deze visie op een naar binnen gekeerde kerk heeft feitelijk grote invloed gekregen in katholiek Nederland, en is ook aanwezig in ‘Meewerken...’. De werkelijkheid wordt aangepast aan het ‘plaatje’, aan de instandhouding van het institutionele bouwwerk. De andere beweging, namelijk dat de kerk zich laat bevragen vanuit de samenleving en het dagelijkse pastoraat, en inspeelt op de hedendaagse ontwikkelingen, die wordt niet gemaakt.
Beide bewegingen, die van kerk naar samenleving en van samenleving naar kerk, zijn echter tegelijkertijd nodig.
Wat nodig is, is een richtinggevende ambtstheologie, die mede in zich opneemt wat er voortkomt uit de dagelijkse praktijk van het pastoraat in parochies en instellingen. Deze ambtstheologie is zowel verankerd in de traditie van de katholieke kerk als in gesprek met de hedendaagse samenleving. Een dergelijke ambtstheologie, die richtinggevend is, is momenteel niet voorhanden. Er zijn wel plekken, waar men aanzetten probeert te ontwikkelen.
Deze ambtstheologie vertrekt midden in de geloofsgemeenschappen, en vanuit een visie op de kerk als een gezamenlijke beweging van geloofsgemeenschappen onder leiding van de plaatselijke bisschop. De geloofsgemeenschap zelf komt daarin tevoorschijn als de eerst-geroepene, als de instantie die als eerste geroepen is om een ruimte te zijn van geloofsexpressie en gelovig handelen. De pastor neemt deel aan deze roeping en zending, als een van de gelovigen, met elkaar verenigd op grond van het doopsel. Tegelijkertijd is diezelfde pastor een symbool, alleen al door zijn beroep een verwijzing naar iets anders. De pastor ervaart dat hem of haar het ambt wordt aangereikt en gegeven. De pastor staat midden in de geloofsgemeenschap, en is tegelijkertijd symboliserend en oriënterend aanwezig, als een verwijzing naar buiten, als een verbinding met andere geloofsgemeenschappen, als een verbinding met de bisschop en de gehele kerk. Hier verbindt zich als het ware de beweging van beneden af met de beweging van boven af, waarbij de vraag naar ‘wie begint’ niet relevant is.
Gesprek
Rond ‘Meewerken...’ hebben bisschoppen gesprekken gevoerd met pastores, bestuurders en gelovigen. In enkele bisdommen worden deze gesprekken gecontinueerd.
Wij melden dat velen van ons de gesprekken ambivalent ervaren. Men is er tevreden over dat er gesprekken plaatsvinden, en dat er pogingen gedaan worden tot daadwerkelijke communicatie te komen. Deze communicatie dient tot stand te komen in een situatie, waarin sprake is van verschillende posities en visies. Dat maakt het gesprek complex en ogenschijnlijk bij voorbaat vruchteloos. Velen van ons ervaren dat de bisschoppen inderdaad bereid zijn te luisteren en in gesprek te gaan rond de belangrijke thema’s, maar dat zij tegelijkertijd niet beschikken over enige ruimte om daadwerkelijk ook iets te doen met de inbreng van onze kant. De bewegingsruimte van de bisschoppen is zeer beperkt, zo wordt ervaren, niet alleen omdat zij uitvoering dienen te geven aan Romeinse documenten, maar ook omdat zij zichzelf weinig bewegingsruimte toestaan. Gaan de bisschoppen werkelijk in gesprek? Natuurlijk stellen wij onszelf die vraag ook, vanuit het bewustzijn dat wij een andere positie innemen en spreken vanuit de werkvloer. Maar voorwaarde voor een vruchtbaar en geloofwaardig gesprek is wel dat de ervaringen en visies vanuit de pastorale werkvloer gehoord en gerespecteerd worden. Het is onze opdracht en verantwoordelijkheid om in het spanningsveld tussen ‘leer en leven’, tussen institutionele organisatie en publiek, een eigen rol te vervullen. De kennis en inzichten, die we daar opdoen en ontwikkelen, verdienen een structurele plaats in de organisatie van de kerk en de communicatie tussen pastores en bisschoppen.
Tenslotte
Het Federatiebestuur is van mening dat het ambt voortdurend in ontwikkeling is, en begeleid dient te worden door een zich ontwikkelende ambtstheologie. Deze ambtstheologie is verankerd in de traditie van de kerk en in gesprek met de hedendaagse samenleving. Het Federatiebestuur roept allen dan ook op gezamenlijk te werken aan de ontwikkeling van een ambtstheologie, die daadwerkelijk richting kan bieden in deze tijd van crisis en kansen. Met allen wordt bedoeld: de pastores zelf, de theologen, en de bisschoppen. Als een goed voorbeeld uit het verleden dient in dit verband genoemd te worden “Bisschoppen en theologen in dialoog” uit 1987 (red. H.C.A. Ernst en J.A. van der Ven).
Bestuur Federatie VPW Nederland