U bevindt zich hier: HomeProfessionaliteitMeewerken in pastoraatMeewerken in het pastoraat, VPW reactie op beleidsnota september 2001

Katholieke integriteit

Katholieke integriteit


de katholieke geloofsbelijdenis en de katholieke ambtseed in canoniekrechtelijk perspectief


TON Meijers


In 1998 verscheen het motu proprio van paus Johannes Paulus II Ad tuendam fidem. Dit document voegde nieuwe bepalingen aan de kerkelijke wetboeken van de latijnse en de oosterse ritus toe (een zgn. novelle). Het betrof enkele bepalingen inzake het kerkelijk leergezag. Direct daarmee samenhangend publiceerde de Congregatie van de Geloofsleer opnieuw de in 1989 reeds vastgestelde tekst van de geloofsbelijdenis tezamen met de ambtseed, alsmede een toelichting daarop. Na vijf jaar verscheen in 2003 de Nederlandse vertaling van deze documenten.

De bekendmaking van de geloofsbelijdenis en de ambtseed en de invoering ervan geven hier en daar aanleiding tot onrust. Belijdenis en eed herinneren aan de periode van de anti-modernisteneed. Clerici en theologen waren gehouden de anti-modernisteneed meerdere keren af te leggen. De vrees is, dat geloofsbelijdenis en ambtseed de katholieke kerk terugvoert naar de periode van vóór het Tweede Vaticaans Concilie.

Deze gevoelens en overwegingen zijn begrijpelijk, maar zijn - hoe kan het ook anders - door de eigen Sitz im Leben gekleurd. Een vraag is, hoe de geloofsbelijdenis en de ambtseed zich tot de anti-modernisteneed verhouden. De geloofsbelijdenis en ambtseed staan echter ook in een andere samenhang. Bedoeld wordt de optiek van de beroepsethiek. De beroepsethiek behartigt de deskundige, zorgvuldige en verantwoorde, dat wil zeggen de professionele beroepsbeoefening van een bepaalde beroepsgroep. Het terrein van de beroepsethiek omvat de beroepsintegriteit. Integriteit betekent (negatief) niet-corrupt en (positief) rechtschapen, zuiver en onbaatzuchtig. Deze zijn inmiddels ook voor pastoraal werkenden geformuleerd.

Bepaalde beroepsgroepen kennen de ambtseed, zoals artsen, notarissen en hogere burgerlijke ambtenaren. Bij het afleggen van de ambtseed belooft de beroepsbeoefenaar naar eer en geweten overeenkomstig het beroepsethos te zullen handelen. Het is een persoonlijke binding van de beroepsbeoefenaar aan het eigen beroepsethos. Doordat de ambtseed openlijk wordt afgelegd, legt de beroepsbeoefenaar tevens een getuigenis af van zijn integriteit, waarop hij kan en wil worden aangesproken en waarvoor hij aansprakelijk is. Daarmee fungeert de ambtseed tevens als maatschappelijke waarborg van beroepsintegriteit. In deze samenhang staat de ambtseed momenteel in de belangstelling.

In het pastoraat is de professionaliteit en daarmee ook de pastorale beroepsethiek aan de orde. In de context van het pastoraat betekent professionaliteit ook professie: d.w.z. het zich openlijk bekennen als pastoraal werkende. Hetzelfde geldt voor de professie van de theoloog: het zich openlijk bekennen als katholiek theoloog. Welnu, kan de geloofsbelijdenis en de ambtseed worden verstaan als een verklaring en getuigenis van katholieke integriteit en als kerkelijke en maatschappelijke waarborg daarvan? Vanuit deze vraagstelling zijn de katholieke geloofsbelijdenis en katholieke ambtseed hier aan de orde, en wel in canoniekrechtelijk perspectief.


De historische context


Geloofsbelijdenis en ambtseed zijn geen novum in de katholieke kerk. De kern van de belijdenis en de eed is de openlijke bevestiging en het openlijk getuigenis, dat men in gemeenschap met de katholieke kerk staat, en dat men het geloof, de zeden en de discipline van de katholieke kerk aanvaardt.

De geloofsbelijdenis ontwikkelde zich in de eerste eeuwen van het christendom binnen de samenhang van de catechumenale vorming en de doopliturgie. Het werd een vast onderdeel van de zondagse eucharistieviering. Daarmee is oorsprong van de geloofsbelijdenis liturgisch. Reeds in de zevende eeuw had zich de gewoonte ontwikkeld, dat clerici vóór hun wijding beloofden trouw te zullen zijn aan het katholieke geloof en aan de kerkelijke discipline, een onberispelijk leven te zullen leiden, en het kerkelijk gezag te zullen respecteren en gehoorzamen. Bij de aanvang van conciliezittingen werd door de deelnemers de geloofsbelijdenis uitgesproken. Bisschoppen waren gehouden om naast de geloofsbelijdenis de eed van trouw aan de paus af te leggen.

Het Concilie van Trente (1545-1563) legt de basis voor de systematische regeling van geloofsbelijdenis en ambtseed. De zorg van het concilie was het behoud van de katholieke geloofsleer en het herstel van de kerkelijke discipline. Het was een uitdrukkelijke wens, dat er voor katholieke gelovigen betrouwbare katholieke herders werden benoemd. De belijdenis en de eed waren (mede) middelen om dit te waarborgen. Zo was iedere zielzorger verplicht om twee maanden na de ambtsaanvaarding openlijk zijn trouw aan het katholieke geloof en zijn gehoorzaamheid aan de katholieke kerk te belijden. Docenten in de katholieke theologie spraken jaarlijks bij de opening van het academisch jaar hun trouw jegens het concilie van Trente uit.

In 1564, een jaar na afsluiting van het concilie, stelt paus Paulus IV de tekst van de geloofsbelijdenis vast. Deze tekst omvat naast de Niceaans-Constantinopolitaanse geloofsbelijdenis een negental paragrafen. Het accent ligt op de aanvaarding van de geloofsleer. Maar de tekst omvat ook onderdelen die het karakter van een ambtseed hebben. Zo wordt gehoorzaamheid aan de paus beloofd. De uitspraken van oecumenische concilies en met name van het concilie van Trente dienen ontwijfelbaar te worden aanvaard. Naar aanleiding van het Eerste Vaticaans Concilie (1869-1870) past de Congregatie van het Concilie in 1877 de tekst aan. De aanvaarding van het pauselijk primaatschap en de pauselijke onfeilbaarheid worden dan aan de tekst toegevoegd.

Deze tekst van de geloofsbelijdenis stond in de Codex Iuris Canonici van 1917 voorafgaand aan het corpus van wetteksten. De Codex regelde ook welke personen en ambtsdragers ten overstaan van welk kerkelijk gezag verplicht waren om de geloofsbelijdenis af te leggen.

Als maatregel tegen het zgn. modernisme voerde paus Pius X in 1910 de anti-modernisteneed in. De tekst formuleert (positief) elementen van de katholieke geloofsleer en verwerpt (negatief) bepaalde dwalingen met name in het theologisch denken. De invoering van de anti-modernisteneed leidde tot discussies over de academische vrijheid van katholieke theologen. Aanvankelijk waren priesters in de zielzorg en in het godsdienstonderricht verplicht om de anti-modernisteed af te leggen. Gaandeweg werd de kring verbreed: clerici bij de toelating tot de hogere wijdingen (subdiakonaat, diakonaat, priesterschap); priesters bij de aanvaarding van het pastoorsambt en andere kerkelijke ambten en functies; docenten in de theologie en de filosofie aan kerkelijke universiteiten bij de aanvaarding van hun doceer- en onderzoeksopdracht; en theologiestudenten bij het verwerven van academische graden. In de praktijk betekende dit, dat met name clerici meerdere malen de anti-modernisteneed moesten afleggen.

Opmerkelijk is, dat de Codex van 1917 de anti-modernisteneed niet regelde. Beschouwde de kerkelijke wetgever de anti-modernisteneed als een tijdelijke maatregel, en werd die daarom niet in het wetboek verankerd? Hoe dan ook in 1918  bepaalde de Congregatie van het Heilig Officie, dat de verplichting van de anti-modernisteneed blijft voortbestaan totdat anders wordt bepaald.

Op het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) waren geloofsbelijdenis en ambtseed, zoals hier bedoeld, niet aan de orde. Maar vermeld kan worden, dat het concilie de term ‘geloofsbelijdenis’ (professio fidei) gebruikt in de brede context van de christengelovigen die in gemeenschap met de katholieke kerk staan. De geloofsbelijdenis beperkt zich daarmee niet tot kerkelijke bedienaren en katholieke theologen, maar strekt zich over alle gelovigen die in gemeenschap met de katholieke kerk staan uit.

In 1967 werd de anti-modernisteneed afgeschaft. Tegelijkertijd stelde de Congregatie van de Geloofsleer de tekst van de geloofsbelijdenis opnieuw vast, waarmee de tridentijnse geloofsbelijdenis van paus Paulus IV kwam te vervallen. De tekst omvat naast de Niceaans-Constantinopolitaanse geloofsbelijdenis een extra paragraaf. Deze paragraaf formuleert de positie van het plechtige definitieve en van het gewone kerkelijk leergezag. De leer aangaande de kerk van Christus, de sacramenten in het bijzonder de eucharistie en het pauselijk primaatschap worden uitdrukkelijk vermeld.

In 1983 verscheen de vernieuwde Codex. In aansluiting op het kerkelijk wetboek van 1917 regelt de Codex welke personen en ambtsdragers ten overstaan van welke gezagsdragers gehouden zijn de geloofsbelijdenis af te leggen. Refererend aan de Codex publiceerde de Congregatie van de Geloofsleer in 1989 een vernieuwde versie van de geloofsbelijdenis en in samenhang daarmee, maar tegelijk onderscheiden daarvan, de tekst van de ambtseed. De geloofsbelijdenis omvat naast de Niceaans-Constantinopolitaanse geloofsbelijdenis drie paragrafen, die drie modaliteiten van kerkelijk leergezag onderscheiden. De ambtseed omvat een belofte van trouw. De publicatie leidde tot kritische vragen over de aard van het document en over de verhouding ervan tot het Tweede Vaticaans Concilie en tot de Codex van 1983. Mede naar aanleiding hiervan verscheen enkele maanden later een aanvullende verklaring van de Congregatie over de rechtskracht van het document.

Daarop worden in 1998 in een motu proprio van paus Johannes Paulus II enkele bepalingen aan het kerkelijk wetboek toegevoegd. De belangrijkste toevoeging betreft de tweede modaliteit van kerkelijk leergezag die de geloofsbelijdenis onderscheidt. Aangezien de eerste en derde modaliteit van kerkelijk leergezag die de geloofsbelijdenis onderscheidt, reeds aan de Codex waren ontleend, bewerkstelligt het motu proprio dat het kerkelijk wetboek met de geloofsbelijdenis van 1989 in overeenstemming is. Tegelijk wordt opnieuw de tekst van de geloofsbelijdenis en van de ambtseed gepubliceerd, tezamen met een doctrinaire verklaring van de Congregatie van de Geloofsleer waarin op de drie onderscheiden modaliteiten van kerkelijk leergezag nader wordt ingegaan.

Dit overzicht maakt duidelijk, dat het afleggen van de geloofsbelijdenis bij het aanvaarden van ambten en functies door clerici en theologen binnen de katholieke kerk geen buitengewone, maar een gewone aangelegenheid is. Het hoort als het ware bij de katholieke kerk. De huidige geloofsbelijdenis en ambtseed staan daarmee in de traditie van de kerk en ontlenen daaraan hun betekenis. De anti-modernisteneed van 1910 werd niet in het kerkelijk wetboek van 1917 opgenomen, en werd in 1967 afgeschaft. Daarmee was de anti-modernisteneed een kerkelijke maatregel van tijdelijke aard. Het was een buitengewone op zichzelf staande kerkelijke maatregel.


Codex Iuris Canonici 1983


Geloofsbelijdenis en ambteed worden in het kerkelijk wetboek geregeld en zijn daarmee met de canonieke rechtsorde verbonden.

Op enkele plaatsen in de Codex is de ambtseed aan de orde:

- de bisschop dient voor de aanvaarding van het hem toevertrouwde bisschopsambt naast de geloofsbelijdenis de eed van trouw aan de Apostolische Stoel af te leggen;

- de beambten van de bisschoppelijke curie beloven onder ede, dat zij hun ambt trouw zullen vervullen;

- degenen die werkzaam zijn aan de kerkelijke rechtbank beloven onder ede, dat zij hun taken op de voorgeschreven wijze getrouw zullen vervullen;

- beheerders van kerkelijk vermogen - tenslotte - beloven onder ede, dat zij het vermogensbeheer goed en trouw zullen vervullen.

De ambtseed heeft het karakter van een eed van trouw. De bisschop belooft trouw aan de Apostolische Stoel. Het accent ligt dan op de verhouding tot het kerkelijk gezag. Andere ambtsdragers beloven, dat ze het hun toevertrouwde ambt op de voorgeschreven wijze getrouw en goed zullen vervullen. Het accent ligt dan op het naleven van de kerkelijke voorschriften, dat wil zeggen op de kerkelijke discipline. Daarmee omvat de ambtseed twee dimensies: de verhouding tot het kerkelijk gezag en het aanvaarden van de kerkelijke discipline.

Canon 833 regelt, wie verplicht zijn de geloofsbelijdenis af te leggen. Preciezer uitgedrukt, de canon regelt welke personen bij welke gelegenheid gehouden zijn om de geloofsbelijdenis ten overstaan van een bepaalde kerkelijke ambtsdrager af te leggen. Daartoe zijn onder meer verplicht: priesters die tot het episcopaat bevorderd zijn; kandidaten voor de diakenwijding; priesters die een pastoorsambt aanvaarden; docenten theologie en filosofie aan grootseminaries, en docenten katholieke theologie aan kerkelijke en aan andere universiteiten. De geloofsbelijdenis wordt vóór de wijding en vóór de ambtsaanvaarding persoonlijk afgelegd. De tekst is door de Congregatie van de Geloofsleer in 1989 vastgesteld tezamen met de formule van de ambtseed.


Een kwestie is, dat canon 833 alleen de geloofsbelijdenis noemt en niet de ambtseed. Hoe verhouden geloofsbelijdenis en ambtseed zich tot elkaar? Hierboven is reeds aangegeven, dat de tridentijnse geloofsbelijdenis die tot 1967 gold, reeds elementen kende, die het karakter van een ambtseed hebben, zoals de belofte van trouw aan de paus en de aanvaarding van de oecumenische concilies. Geloofsbelijdenis en ambtseed zijn met elkaar verbonden. Ze veronderstellen elkaar. De geloofsbelijdenis is het getuigenis dat men in het geloof van de katholieke kerk staat (orthodoxie). De ambtseed omvat de belofte om overeenkomstig de kerkelijke discipline het ambt getrouw en goed te zullen vervullen (orthopraxis). Samengevat: geloofsbelijdenis en ambtseed bevestigen, dat iemand in gemeenschap met de katholieke kerk staat. Geloofsbelijdenis en ambtseed zijn daarmee een persoonlijke en kerkelijke bevestiging van katholieke integriteit.

De onderscheiding van belijdenis en eed is te verklaren vanuit het eigen karakter van beide handelingen, die een persoonlijk en een kerkelijk element hebben. De geloofsbelijdenis (professio fidei) wordt persoonlijk afgelegd. Het is een persoonlijke handeling, waarin de gelovige zich voor het aanschijn van God stelt (coram Deo) en zijn geloof in Hem belijdt (credo). De belijdenis is een geloofsdaad. De belijdenis heeft een openbaar karakter, wanneer deze in de katholieke kerk ten overstaan van een kerkelijke ambtsdrager is afgelegd. De eed heeft een ander karakter. De eed (iusiurandum) is een persoonlijke uitspraak, waarbij God als getuige wordt aangeroepen (zo helpe mij God almachtig). In de ambtseed belooft de ambtdrager zijn ambt getrouw en goed te vervullen. Getrouw wil zeggen overeenkomstig de discipline van de katholieke kerk; goed wil zeggen niet tot schade en ten nadele van mensen, maar tot voordeel en tot heil van mensen. De belofte heeft het karakter van een religieuze plicht. Een eed is openlijk en officieel, wanneer deze ten overstaan van een kerkelijke ambtsdrager is afgelegd.

Omdat de geloofsdaad en het aangaan van een religieuze plicht als persoonlijke en als kerkelijke handelingen een eigen karakter hebben, zijn de geloofsbelijdenis en ambtseed van elkaar te onderscheiden. Maar beide hangen samen, doordat ze het staan in kerkelijke gemeenschap en daarmee katholieke integriteit bevestigen.


De geloofsbelijdenis


De geloofsbelijdenis is de Niceaans-Constantinopolitaanse geloofsbelijdenis waaraan drie paragrafen zijn toegevoegd. De paragrafen onderscheiden modaliteiten van kerkelijke leeruitspraken. De paragrafen staan niet op zichzelf, maar de teksten steunen op bepalingen van de Codex en staan daarmee in een canoniekrechtelijke context. Hier volgt een analyse van de drie paragrafen, die zich op het canonieke rechtskarakter ervan concentreert.

De drie onderscheiden modaliteiten zijn: het van Godswege geopenbaarde geloof, de definitieve leeruitspraken inzake geloof en zeden, en het authentieke leergezag. De teksten spitsen zich op het universele kerkelijk leergezag toe, dat wil zeggen op het leergezag van paus en bisschoppencollege over de gehele kerk.

De 1e paragraaf betreft leeruitspraken aangaande de openbaring, die het kerkelijk leergezag als van Godswege geopenbaard voorhoudt. Deze leeruitspraken steunen op Schrift en Traditie. Dit leergezag wordt op plechtige en op gewone wijze vervuld. Het gebeurt op plechtige wijze in een definitieve en onfeilbare leeruitspraak van de paus ex cathedra of van het in een oecumenisch concilie bijeengekomen bisschoppencollege. Dit universele leergezag wordt op gewone wijze vervuld, wanneer paus en bisschoppen verspreid over de wereld in het onderrichten van de christelijke openbaring overeenstemmen en samengaan. Ook dit leergezag heeft een onfeilbaar karakter. Deze leeruitspraken zijn uitspraken inzake het christelijke geloof, die geloofd dienen te worden (credo). De tekst is aan canon 750, § 1 van de Codex ontleend. Deze bepaling benadert het geopenbaarde geloofsgoed niet alleen vanuit de optiek van de kerkelijk leergezag, maar plaatst het tevens in het perspectief van de katholieke kerk als geheel.

De 2e paragraaf betreft definitieve leeruitspraken van hetzelfde leergezag omtrent de geloofsleer en de zedenleer. Deze leeruitspraken moeten worden aanvaard en vastgehouden (complector ac retineo). De tekst beantwoordt aan canon 750, § 2, die in 1998 aan het kerkelijk wetboek werd toegevoegd. Uit deze bepaling kan worden afgeleid, dat definitieve leeruitspraken worden bedoeld, die nodig zijn om het van Godswege geopenbaarde geloofsgoed heilig te bewaren en getrouw uit een te zetten. Het gaat om leeruitspraken die nauw met de goddelijke openbaring verbonden zijn. Deze leeruitspraken worden ook wel het kerkelijk geloof en de theologische waarheid genoemd.

De 3e paragraaf betreft de kerkelijke leer van paus en bisschoppencollege, wanneer zij hun universeel leergezag authentiek uitoefenen. Deze leer dient met religieuze volgzaamheid van wil en verstand te worden aanvaard (religiosum obsequium voluntatis et intellectus). Deze paragraaf is aan canon 752 ontleend en ligt dicht tegen de wettekst aan. Het gaat hier om kerkelijke leer, die het leergezag weliswaar niet als definitief maar wel gezagvol voorhoudt.

Kortom, de drie paragrafen van de geloofsbelijdenis beantwoorden aan bepalingen van de Codex. Het zijn er krappe extracten van, die zich op de positie van het kerkelijk leergezag concentreren. Dit rechtvaardigt enerzijds de conclusie, dat de drie paragrafen aan de canoniekrechtelijke bepalingen niets toevoegen. Hetgeen de Codex hieromtrent regelt, wordt in de geloofsbelijdenis herhaald. Anderzijds leidt dit tot de slotsom, dat de drie paragrafen niet op zichzelf staan, maar dat ze beantwoordend aan Codex-bepalingen tevens een rechtskarakter hebben, dat de Codex nader regelt.

Dit betekent, dat overtreding en veronachtzaming van de drie paragrafen tot kerkelijke sancties kunnen leiden, die het recht of het kerkelijk gezag regelen. 

Zo wordt het van Godswege geopenbaarde geloof (1e paragraaf) van oudsher beschermd in de delictomschrijvingen van geloofsafval, ketterij en schisma. Geloofsafval is het geheel en al verwerpen van het katholieke geloof. Ketterij is het hardnekkig ontkennen van een waarheid van het goddelijk en katholieke geloof. Schisma is het zich onttrekken aan de kerkelijke gemeenschap met name aan het kerkelijk gezag. Schisma is daarmee een delict tegen de apostoliciteit en de eenheid van de katholieke kerk. Degene die zich aan geloofsafval, ketterij of schisma schuldig maakt, beloopt de kerkelijke excommunicatie. Degene die door een excommunicatie getroffen is, is het (o.m.) verboden om liturgische bedieningen en om kerkelijke ambten te vervullen. De geëxcommuniceerde is als het ware van rechtswege geschorst. In dezelfde samenhang regelt het canoniek ambtsrecht, dat de ambtsdrager die openlijk van het katholieke geloof of van de kerkelijke gemeenschap afgevallen is, daardoor zijn kerkelijk ambt verliest. Opgemerkt dient te worden, dat deze sancties (i.e. de excommunicatie en de ambtsontneming) door het plegen van de handeling zelf automatisch intreden. Het zijn zware vergrijpen tegen het katholieke geloof, die de kern van geloof en kerkelijke gemeenschap raken. Gezien de ernst van de handeling en de sanctie, wordt de excommunicatie of de ambtsontneming bij voorkeur in een uitspraak van het kerkelijk gezag officieel vastgesteld.

Degene die een definitieve leeruitspraak als bedoeld in c. 750, § 2 (2e paragraaf) of een authentieke leeruitspraak als bedoeld in c. 752 (3e paragraaf) hardnekkig afwijst, en zijn mening na een officiële vermaning van het kerkelijke gezag niet herziet, dient met een rechtvaardige straf gestrafd te worden. Dit kan betekenen dat iemand het kerkelijk ambt wordt ontnomen of dat deze wordt geschorst dan wel wordt overgeplaatst. De kerkelijke sanctie wordt op basis van een kerkrechtelijk onderzoek opgelegd.

Samenvattend. Het overtreden of veronachtzamen van de bepalingen van de drie paragrafen van de geloofsbelijdenis kunnen leiden tot het oplopen of tot het opleggen van een kerkelijke sanctie, hetgeen de Codex regelt. Maar hierbij dient toch ook te worden opgemerkt, dat deze sancties ook kunnen worden opgelopen of kunnen worden opgelegd, in het geval dat de geloofsbelijdenis niet is afgelegd. De canoniekrechtelijke regeling staat immers los van de omstandigheid of iemand de geloofsbelijdenis al dan niet heeft afgelegd. De sancties steunen op algemene vergrijpen tegen het katholieke geloof, die niet alleen kerkelijke ambtsdragers maar alle katholieke gelovigen kunnen treffen.


De ambtseed 


Niet alleen de paragrafen van de geloofsbelijdenis, maar ook de tekst van de ambtseed berust op de Codex van 1983. De ambtseed is onderverdeeld in vijf alinea's. Achtereenvolgens komen de kerkelijke gemeenschap, de ambtelijke taakvervulling, het katholieke geloof, de kerkelijke discipline en het kerkelijk gezag aan de orde.

De 1e alinea omvat de belofte van de ambtsdrager om in woord en daad de gemeenschap met de katholieke kerk te behouden. De tekst is aan canon 209, § 1 ontleend, die de plicht van alle christengelovigen formuleert om de gemeenschap met de kerk te behouden. De ambtseed spitst dit op de katholieke kerk toe, waarbinnen de ambtsdrager werkzaam zal zijn.

In de 2e alinea belooft de ambtsdrager de toevertrouwde taken trouw en zorgvuldig te zullen vervullen met inachtneming van de rechtsvoorschriften. De taakvervulling staat in de context van de universele en de particuliere kerk, waarbinnen en ten dienste waarvan de taken worden verricht. Daarmee accentueert de tekst het dienst- en ambtelijk karakter van de taak en van de vervulling ervan. De alinea refereert aan canon 209, § 2, die van alle christengelovigen een nauwgezette plichtvervulling urgeert.

In de 3e alinea staat het katholieke geloof centraal. Centraal staat de belofte van de ambtsdrager om het geloofsgoed integraal te bewaren en dit getrouw over te dragen en te belichten. Het omvat de belofte om in het katholieke geloof te blijven bestaan, en de belofte om dit geloof te blijven belijden ook jegens anderen. Tevens benadrukt de tekst het ambtelijk karakter van de diensttaken, door erop te wijzen, dat de taken vanwege de kerk aan de persoon zijn toevertrouwd en de persoon daarmee tot kerkelijk ambtsdrager maakt. De alinea brengt elementen van de canones 747 en 750, § 1 bijeen.

De 4e alinea gaat over de kerkelijke discipline. De ambtsdrager committeert zich aan de gemeenschappelijke discipline van de kerk en aan de kerkelijke wetgeving in het bijzonder aan de Codex van 1983. Het accent ligt op gemeenschappelijke discipline van de gehele kerk. De tekst steunt op canon 392, § 1.

De 5e alinea gaat over de positie van het kerkelijk gezag, waarbij de gehoorzaamheidsclausule in het oog springt. In de tekst kunnen vier lijnen worden onderscheiden, die van het universele kerkelijk gezag, die van de diocesane bisschop, die van de ambtsdrager, en die van de kerkelijke gemeenschap. Ten aanzien van hetgeen het universele herderlijk gezag (paus en bisschoppen) als authentieke geloofsleraren en als kerkelijke bestuurders bepalen, belooft de ambtsdrager christelijke gehoorzaamheid te betonen. Jegens de diocesane bisschop belooft de ambtsdrager zijn trouwe medewerking bij de vervulling van het ambtelijk apostolaat van de kerk. Als medewerker van de bisschop vervult de ambtsdrager zijn diensttaak in naam en in opdracht van de kerk, dat wil zeggen ambtelijk. Tenslotte belooft de ambtsdrager om de toevertrouwde diensttaken in gemeenschap met de kerk te vervullen. De tekst is aan de canones 212, § 1; 394 en 675, § 3 ontleend.

Daarmee eindigt de ambteed, waarmee die opent: het bewaren van de kerkelijke gemeenschap. Geen onbelangrijke waarneming, zij het van meer esthetische aard.

De ambtseed onderstreept het ambtelijk karakter van de diensttaken, die de ambtsdrager niet aan zichzelf, maar aan de kerk ontleent en die in naam en in opdracht van de kerk worden vervuld. De ambtsdrager handelt derhalve niet op eigen gezag, maar op gezag van de kerk. Daarom dient de ambtsdrager bij de vervulling van de ambtelijke taken binnen de kerkelijke gemeenschap het katholieke geloof en de kerkelijke discipline te onderhouden. Als eed van trouw richt de ambteed zich op het bewaren van de kerkelijke gemeenschap door het aanvaarden en onderhouden van het katholieke geloof en de kerkelijke discipline. In deze context staat de trouw aan het kerkelijk gezag. Daarmee waarborgt de ambtseed de katholieke integriteit van de kerkelijke ambtsdrager.

De ambtseed berust op bepalingen van de Codex. In tegenstelling tot de paragrafen van de geloofsbelijdenis hebben de met de ambtseed corresponderende bepalingen van de Codex op zichzelf geen strafrechtelijk karakter. Schending of veronachtzaming van de ambtseed kunnen echter voor het kerkelijk gezag aanleiding zijn, om een ambtsdrager over te plaatsen of uit het kerkelijk ambt te verwijderen. Verder kan overtreding of veronachtzaming van de ambtseed een kerkelijk delict zijn. Maar in dat geval dienen de gedragingen aan een bepaalde delictsomschrijving te beantwoorden. Het kerkelijk wetboek stelt in een algemene zin ambtsmisbruik en onrechtmatige of nalatige ambtsbeoefening met schade aan een derde strafbaar. Tengevolge hiervan kan de ambtsdrager worden geschorst of kan het kerkelijk ambt worden ontnomen. Zoals bij de geloofsbelijdenis geldt ook voor de ambtseed, dat de kerkelijke maatregelen en sancties, die een ambtsdrager kunnen treffen, op algemene kerkelijke wetgeving berusten. Deze canonieke wetgeving is op de iedere kerkelijke ambtsdrager van toepassing, los van de omstandigheid of de ambtseed al dan niet is afgelegd.


Slotoverwegingen


De geloofsbelijdenis is de openlijke belijdenis in het geloof van de katholieke kerk te staan en het katholieke geloof te aanvaarden. De ambtseed is de openlijke belofte in het geloof van de katholieke kerk te zullen blijven staan, de kerkelijke discipline te zullen onderhouden en het kerkelijk gezag te zullen accepteren. Geloofsbelijdenis en ambtseed waarborgen aldus het staan in kerkelijke gemeenschap van de kerkelijke ambtsdrager en daarmee de katholieke integriteit, die een kerkelijke gemeenschap van een ambtsdrager verwacht.


De drie paragrafen van de geloofsbelijdenis en de tekst van de ambtseed zijn aan het kerkelijk recht ontleend. Ze berusten op de Codex van 1983 en het zijn eigenlijk gecomprimeerde wetteksten. De uitleg ervan behoeft het canonieke oog. De analyse maakt duidelijk, dat de canoniekrechtelijke bepalingen, waaraan de paragrafen van de geloofsbelijdenis en de alinea's van de ambtseed zijn ontleend, in principe voor alle katholieke gelovigen en voor alle kerkelijke ambtsdragers gelden. Wat de geloofsbelijdenis en de ambtseed derhalve toevoegen, is dat de ambtdrager zich persoonlijk en openlijk bindt aan hetgeen het canoniek recht wettelijk reeds regelt.


Een kwestie is, of belijdenis en eed de katholieke kerk terugbrengen naar de periode voorafgaand aan het Tweede Vaticaans Concilie, naar de periode van de anti-modernisteneed.

De anti-modernisteneed van 1910 was een tijdelijke maatregel die in 1967 werd afgeschaft.

Het historisch overzicht maakt duidelijk, dat de belijdenis en ook de eed tot de traditie van de katholieke kerk behoren. De huidige formulering staat in continuïteit met de tridentijnse formulering. Het onderscheiden van belijdenis en eed, heeft te maken met het eigen te onderscheiden kerkelijk karakter van geloofsbelijdenis en van religieuze belofte. In dit licht urgeren de geloofsbelijdenis en de ambtseed de trouw aan de oecumenische concilies inclusief het Tweede Vaticaans Concilie, waarin paus en bisschoppen zich gezagvol over het geloof, de zeden en de discipline van de katholieke kerk uitspreken.


Een andere vraag is, of belijdenis en eed het kerkelijk gezag extra middelen verschaffen om disciplinair tegen ambtsdragers te kunnen optreden.

Zoals uiteengezet, berusten de drie paragrafen en de vijf alinea's op bepalingen van de Codex. Daarmee staan ze - zij het indirect - in een disciplinair canoniekrechtelijk kader. Tegen overtreding of veronachtzaming van geloofsbelijdenis en/of ambtseed kan het kerkelijk gezag derhalve optreden overeenkomstig het disciplinaire canoniekrechtelijke kader, dat de Codex regelt. Maar dit disciplinaire canoniekrechtelijk kader is op alle kerkelijke ambtsdrager van toepassing, los van de omstandigheid of zij de geloofsbelijdenis en de ambtseed al dan niet hebben afgelegd. In die zin verschaffen geloofsbelijdenis en ambtseed het kerkelijk gezag geen extra rechtsmiddelen.


In de drie paragrafen van de geloofsbelijdenis ligt het accent op de positie van het leergezag van paus en bisschoppencollege. Daarmee worden de apostoliciteit van de katholieke kerk en de autoriteit van het kerkelijk gezag bevestigd. Een thema is, of de belijdenis aldus de gemeenschappelijke geloofszin van de kerk als geheel niet miskent. Bedoeld wordt de gemeenschappelijke geloofszin van de christengelovigen oftewel het munus propheticum, zoals het Tweede Vaticaans Concilie dit heeft verwoord. 

Het prangende punt is echter, dat in het kerkelijk wetboek het accent op de positie van het kerkelijk leergezag ligt. Dit is de optiek van de kerkelijke wetgeving. De drie paragrafen zijn weer extracten van kerkrechtelijke bepalingen. Maar het is niet zo, dat het kerkelijk wetboek de gemeenschappelijke geloofszin niet kent. Steunend op het Tweede Vaticaans Concilie brengt ook de Codex de gemeenschappelijke geloofszin van de christengelovigen tot uitdrukking.

Het is derhalve niet correct te concluderen, dat de drie paragrafen van de geloofsbelijdenis de relevantie van de gemeenschappelijke geloofszin voor het canoniek recht, voor de katholieke theologie en voor het kerkelijk leven onderwaarderen of zelfs miskennen. De drie paragrafen dienen niet geïsoleerd, maar in samenhang met de Codex en met het Tweede Vaticaans Concilie te worden beschouwd, waarmee ze ook verbonden zijn. 


Wat de relatie van de ambtsdrager tot het kerkelijke gezag aangaat, refereren de geloofsbelijdenis en de ambtseed aan volgzaamheid (obsequium) en aan gehoorzaamheid (oboedientia). De vraag is, wat deze begrippen in een kerkelijke context betekenen. Hieromtrent kan hier alleen een algemene oriënterende beschouwing worden gewijd.

Het is aan de theologie en aan de canonistiek overgelaten om de begrippen gehoorzaamheid en volgzaamheid te interpreteren. Het is daarbij van belang te realiseren, dat gehoorzaamheid en volgzaamheid zich op de leeruitspraken en op de bestuursbeslissingen van het kerkelijk gezag richten. De gehoorzaamheid is christelijke gehoorzaamheid. De volgzaamheid is religieuze volgzaamheid. De adjectieven christelijk en religieus geven aan, dat het niet om een louter uitwendige houding kan gaan, als het ware los van de persoon. Deze adjectieven urgeren een persoonlijke houding van christelijk engagement, een houding van geëngageerde loyaliteit. In de kerkrechtelijke literatuur wordt christelijke volgzaamheid verstaan als een persoonlijke houding van goed- en welwillendheid jegens de uitspraken van het kerkelijk leergezag. De volgzaamheid van wil en verstand maakt duidelijk, dat van de christengelovige verwacht wordt om zich persoonlijk in te zetten om zich de leeruitspraken eigen te maken. Samenvattend: de christelijke gehoorzaamheid en de religieuze volgzaamheid hebben een persoonlijke houding van verschuldigde eerbied jegens het kerkelijk gezag op het oog, die zich richt op de goed- en welwillende aanvaarding van leeruitspraken en van bestuursbeslissingen van het kerkelijk gezag.

Het voert hier te ver, om de consequenties hiervan voor de verhouding van de ambtsdrager tot het kerkelijk gezag in alle facetten nader uit te werken. Maar deze oriëntatie vormt wel de grondslag voor een nadere reflectie hierop. In dit verband dient tenslotte nog opgemerkt te worden, dat de ambtseed de kerkelijke ambtsdrager niet zozeer als ondergeschikte, maar meer als medewerker van het kerkelijk gezag beschouwt, die zoals het kerkelijk gezag diensttaken vervuld tot onderhoud en opbouw van de kerkelijke gemeenschap.






Ton Meijers (1955) is Universitair Hoofddocent Canoniek Recht aan de Katholieke Theologische Universiteit Utrecht.

Adres: Kemal Atatürkstraat 12, NL-3573 PA Utrecht.

Email: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

    Plaats reactie

    Free business joomla templates