INLEIDING ALV VPW DEN BOSCH
1. Een verhaal uit de traditie van de Woestijnvaders
Een man is al zijn hele leven vruchteloos op zoek naar verlichting. Tenslotte komt hij in een klooster, waar hij nog een laatste poging wil wagen om ‘het’ te vinden. Er gebeurt echter niets. Niets, behalve dan dat hij elke nacht wakker wordt van een stem die hem vraagt: “Wat sla je over?”
Een vraag die hem tot wanhoop drijft omdat hij, hoe hij ook in zichzelf zoekt, geen antwoord kan vinden. Nacht na nacht gaat het door, totdat hij het niet meer uithoudt, de gang op rent en deur na deur aanklopt, roepende: “Wat sla ik over?” Uit elke kamer komt hetzelfde antwoord: “MIJ”. Een antwoord dat pas werkelijk tot hem doordringt als hij de kloostertuin in rent, en zelfs de maan hem toeroept: “MIJ!”
Ik ben geroepen, aangeraakt, ergens onderweg. Daarom ben ik nu hier, verricht pastoraal werk, ben lid van de beroeps- en belangenvereniging. Ergens is er een vonk in mij geraakt. Dat ben ik, met mijn dromen en idealen, wensen en behoeften, driften en angsten, talenten en beperkingen.
Wat ik teweeg wil brengen, wat ik wil betekenen, waar ik dienstbaar wil zijn aan de gemeenschap en het Grote Verhaal, dat alles begint bij mijzelf. Mijn leven begint bij mijzelf! Wij, pastorale beroepskrachten, hebben de neiging om onszelf in het hele spel te vergeten, over te slaan. Het een cliche-opmerking, een veel gehoorde opmerking, maar hij is ontegenzeggelijk waar. We lopen, sjouwen, hebben een imago ontwikkeld van drukke agenda’s, waar we overigens niet blij mee moeten zijn, terwijl we eigenlijk rust en ruimte zouden moeten uitstralen. Daar zit de ernstige misvatting in dat wijzelf bijzaak zijn, en dat wij enkel ten dienste staan van iets hogers. Nee, het is fundamenteel anders: mijn leven begint mijzelf. Wat ik neer wil zetten, begint bij mijn eigen bezieling. Wat mijn bijdrage aan deze wereld is, vindt zijn begin in mijn bronnen van bezieling.
Hoe ik daar kom? Dat begint met onbevangen kijken, met laten zijn, met kijken naar wat zich op dit moment voordoet. Daar aandacht aan geven, en wel aandacht zonder oordeel. Dat is moeilijk en lastig, want we zitten vaak in vooraf gegeven kaders, in oordelen, in vooroordelen. Het is een kunst om tot die levenshouding te komen: laten zijn, in ogenschouw nemen, zonder oordeel. Zien wat er is, kijken naar wat er gebeurt, en je niet mee laten slepen door een oordeel, emoties, paniek, angst. Je probeert het malen in je hoofd te doorbreken, stop te zetten, helder te zijn, en in ontspannenheid aanwezig. Als je een probleem hebt, ben jij niet het probleem, maar heb je een probleem waar je naar kunt kijken. Je valt er niet mee samen. Er is afstand dus, en je kijkt naar de dingen vanuit een ontspannen kern in jezelf waar rust is en vertrouwen, en ook een diepe bron van vreugde. En daar ergens begint het ‘ik’, stuiten we op wat we de ziel zijn gaan noemen
2. Van buiten naar binnen
Het tijdschrift VolZin organiseerde een schrijfwedstrijd onder de titel “Bewaren of wegdoen”. De doelgroep: 55 plussers. Je hebt in je geloofsopvoeding en deelname aan het kerkelijk leven veel bagage meegekregen. Wat heb je van die bagage in de loop van de jaren weggedaan, wat heb je bewaard? Er komen 184 inzendingen binnen. Er is blijkbaar een grote behoefte om na zoveel jaren eens de balans op te maken. Wat heb ik ervan meegekregen, wat is de betekenis van zoveel woorden, liederen, riten, verhalen? Wat klinkt er nog in mij na? Er is 1 opvallende lijn in bijna alle verhalen: de beweging van buiten naar buiten. Anders gezegd: van alles wat mij is aangereikt, van alles wat ik heb moeten leren en ook van buiten heb moeten leren, wat is daarvan nu de waarde voor mij? Dan blijkt dat het grote geworstel met de dogma’s van de kerk, met de kerkelijke regels, niet een strijdtocht is tegen de kerk, maar een zoektocht naar zichzelf. Wat is ervan geland in mijn ziel, wat is gebleven, bewaard en gekoesterd? We zitten dus in een interessant tijdsgeschrift: waar we voorheen leefden in collectieve patronen en rollen, groeien we toe naar een van binnen uit gedragen geloof. Waar we voorheen naar de kerk gingen omdat het moest of zo hoorde, komt er nu het beeld tevoorschijn van de gelovige, die gemotiveerd is van binnen uit, die op waarde weet te schatten wat hem of haar is aangereikt. Ik wil leven in verbinding met mijn ziel.
Met andere woorden: uitspraken over God zijn alleen maar begrijpelijk in een context van een leven dat op God gericht is. Uitspraken over God zijn niet meer los verkrijgbaar, maar zijn uitspraken van levende mensen die er iets mee hebben, die er iets van oorsprong en bestemming in vermoeden. Nee, uitspraken over God zijn legitiem als dat tastbaar komt in de beleving van het geleefde leven zelf, in de vrijheid/hoop/vreugde/moed/solidariteit van ons mensen.
Dus opnieuw: wat er uit mijn handen komt, begint bij mezelf, heeft een verbinding met mijn ziel. In alles wat ik doe tril ik zelf mee, of trilt er iets in mij mee. Met andere woorden: Veranderingen in de kerk zijn onontkoombaar. Er komt een einde aan het sociaal, zo je wilt collectieve christendom, de consumptiekerk. Er is alleen nog plaats voor een zelfgekozen en geëngageerd christen-zijn. Wij, pastores, staan dus voor de taak de rijkdommen van ons geloof met haar wijsheid en riten door te geven aan een nieuwe generatie, en daarbij zijn nieuwe nog niet bestaande vormen onontbeerlijk. We kunnen niet zomaar een boodschap verkondigen. We kunnen niet zomaar catechetische kennis en inzichten verspreiden. We kunnen niet zomaar het ritueel van de liturgie uitvoeren. Nee, alles wat wij doen, krijgt pas zin en betekenis als het plaatsvindt in verbinding met deze mensen, hier en nu. Als er een verbinding is met de ervaring en zelfbeleving van mensen. En deze verbinding komt pas tot stand als in mijn spreken en handelen als pastor de onderlaag van spiritualiteit in mij mee trilt.
In Speling (2009/1) verwoordt Peter Nissen ter beantwoording van de vraag ‘waar staan we na 60 jaar Carmel en Speling’ het als volgt: “Wat bezig is te verdwijnen uit de Westerse samenleving is de klassieke institutionele religie;dat zijn dus de voormalige volkskerken die dreven op collectieve en sociaal plausibele vormen van religiebeleving. Maar het afkalven van de institutionele religie heeft ruimte vrijgemaakt voor persoonlijk toegeëigende vormen van religiositeit, voor spiritualiteit dus. Spiritualiteit heeft de afgelopen decennia een groet populariteit gekregen niet dankzij de gevestigde kerken maar ondanks de gevestigde kerken, of misschien beter: dankzij het krimpen van de gevestigde kerken en dankzij het verdwijnen van hun vanzelfsprekende greep op de religiebeleving van mensen”(blz. 24).
3. Persoonlijke biografie
Een prachtig voorbeeld van deze groei van buiten naar binnen is het huidige debat rond de 65-jarige leeftijd. Collectieve arrangementen – we zijn met z’n allen op 65jarige leeftijd ineens oud en pensioengerechtigd – komen onder druk te staan. Een collectieve regeling wordt door de vakbond als ouderwets bestempeld. Onder invloed van laten we maar zeggen sociale staatspolitiek en de behoefte de samenleving te beheersen werd de tijd collectief chronologisch ingedeeld: eerst naar school, dan werken, trouwen en kinderen krijgen, en tenslotte als bejaarde met pensioen. De AOW-leeftijd, vastgesteld in 1957, is een late uitloper van dit lange traject en het sluitstuk van een chronologisch regime. Nu komt deze standaardlevensloop steeds meer onder druk te staan. Het individu krijgt in toenemende mate zeggenschap over de inrichting van het eigen leven. Laat de mensen zelf een keuze maken, laten de mensen zelf de organisatie van hun levensloop ter hand nemen, roepen de vakbonden. Dan ontstaat er een mix van arbeid, zorg, scholing en vrije tijd die veel flexibeler wordt dan voorheen. Met de woorden van Frits de lange in Trouw 10 oktober 2009. “De socioloog Nicolas Rose noemt dat ‘governmentality’: zelfregulering als tweede natuur, als nieuwe mentaliteit. Het ondernemende zelf, dat ambitieus en energiek zijn leven ter hand neemt en zichzelf als zelfsturende unit gaat managen, is niet het ideologisch product van een totalitaire overheid. Beide staan niet tegenover elkaar, maar gaan samen op: actief burgerschap staat niet tegenover de politieke macht, maar trekken samen op”. Dus: meer dan ooit is het individu een zelfsturend instituut geworden. De persoonlijke biografie gaat er steeds meer toe doen.
Deze ontwikkeling vraagt – dat is al langer bekend – een nieuwe positiebepaling van ons pastores. Wij worden uitgedaagd geestelijk leiders te zijn in overgangsland. Mensen beleven hun identiteit niet langer meer als een afgeleide van de rol, de stand, de klasse, de opleiding, de rijkdom, de groep. Identiteit wordt meer en meer beleefd als in verbinding met iets in mezelf: dat er een kern is in mezelf die mij tot ik maakt, die mij een eigen oorsprong en naam geeft. Zin en betekenis van het leven wordt meer en meer beleefd in verbinding met de eigen levensgeschiedenis. Dat individu is niet meer gediend met een collectief arrangement vanuit de kerken. Het wil een aanbod dat afgestemd is op het eigen leven, op het leven van mensen dat zich laat tekenen als “uitwaaierende leefstijlen”, groeiende diversiteit, een sprokkelmentaliteit inzake levensbeschouwingen.
4. Een onverwoestbaar verlangen in ons gelegd
Het leven van ons is voortdurend in beweging. Je bent nu in dit moment, en tegelijk bereid je je voor op het volgende moment. In deze voorbereiding zit verwachting, hoop, verlangen. Ik kan goed maken wat verkeerd ging. Ik kan beter doen dan wat ik deed. Ik kan iets herstellen. Kan mezelf overtreffen. De gang van het ene naar het andere moment wordt begeleid door een onverwoestbaar verlangen naar anders, meer, beter, een overtreffende trap.
Dat verlangen is onverwoestbaar. Want er gebeurt van alles en nog wat onderweg. Je word ziek, er is crisis, pijn, een scheiding, ruzie met je kind. Het leven is onvoorspelbaar, dingen kunnen anders lopen dan verwacht. Lopen ook anders dan verwacht. Daar moet je mee dealen. Door crisis, pijn, nood heen is dat verlangen ondanks alles een voortdurende drijfveer. Een motor die aandrijft.
Sprekend voorbeeld is het verhaal van twee maanden terug, Laura. Een kind van nog geen dertien wil in een boot van negen meter om de wereld zeilen. Haar vader vindt het goed. Dan komen alle kaders opzetten in de gesprekken op straat en de commentaren in de media: wat zegt vader, wat zegt moeder, wat zegt de leerplichtambtenaar, hoe moet het met haar sociale ontwikkeling, en wat te denken van de eenzaamheid op zee. Willen Jan Otten schrijft in Trouw 19 september 2009: Hier was een Vliegende Hollander van dertien in de maak, en waren met z’n allen medeplichtig aan haar verdoemde einde.
En waar gaat het om: een kind wil weg, helemaal weg, de wijde zee op, helemaal alleen. Verdwijnen, helemaal alleen. Ontsnappen aan de huidige wereld, aan de huidige kaders, los zijn, de oneindige wereld ligt voor je, je kunt binnentreden in een andere zone. Laten we het theologisch zeggen: het verlangen naar transcendentie. Een mens is niet zonder, kan niet zonder, dat verlangen naar de horizon zit ingeboren, ingebakken, en dan komt het erop aan dat verlangen om te zetten in leven, daadwerkelijk leven. Door angst en crisis en moeilijke passages heen dat nieuwe realiseren, de stap in het onbekende maken.
Daar zit mijns inziens het ankerpunt. Daar bevindt zich de landingsplaats voor de pastor als geestelijk leider. Het aangrijpingsmoment. Beginpunt van alle dingen, alle pastorale programmering, pastoraal handelen. Als pastor in overgangsland heb je aan te sluiten, in te zoomen op de mens voor je, met zijn levensgeschiedenis, zijn biografie, zijn toenemende behoefte zelf regie over het leven te nemen en ook sturing te geven aan wat zin en betekenis geeft aan zijn leven. Dan ligt daar de sleutel om contact te maken, aan te sluiten, samen te gaan zoeken, woorden te vinden voor wat er gebeurt.
Met de woorden van Karl Rahner ‘dat een mens, van welke leeftijd ook, altijd en overal, of hij er zich nu van bewust is of niet, of hij erover nadenkt of niet, in relatie staat met het onuitsprekelijke mysterie van het menselijk leven dat wij “God” noemen (citaat: Zegveld, 91).
5. Eerbied en mysterie
Kilsdonk zei het al: eerbied en nog eens eerbied. Daar begint het verhaal mee. Eerbied voor de mens naast tegenover je, eerbied voor het mysterie dat deze mens is. Eerbied voor de goddelijke vonk in hem of haar gelegd. Eerbied voor dat onverwoestbare verlangen in hem of haar gelegd als een drang naar voltooiing, eerbied voor het allerhoogste in de mensen.
Pastoraat begint met zwijgen: een open ruimte maken en laten groeien dat het mysterie mysterie kan zijn. Je bent aanwezig, en tegelijk ligt er een taak als het ware afwezig te zijn zodat het mysterie aanwezig kan komen. Geen woorden spreken opdat het Woord van God tot ons kan komen. In het woord mysterie zit een woordstam die terug te brengen is tot het woord ‘zwijgen’. Dat wil dus zeggen: een gat laten ontstaan, een leegte, zodat er eerbied kan groeien, aandacht, toewending, toewijding, een gebedshouding waarin je stil word, waarin je een ruimte betreedt waarin je omgeven wordt door het grote zwijgen. Je hebt pastores die het geheim verduisteren, zelf in het middelpunt gaan staan en de weg naar God ontoegankelijk maken. Het is de kunst om pastor te zijn, voorganger te zijn door zelf de open ruimte te zijn waarin de verbinding tot stand kan komen. Doen door te laten. Aanwezig zijn en afwezig zijn. Laten zijn door je terug te trekken.
6. Mystieke theologie
Geloofservaring, de ervaring van God in ons midden, als de onzichtbare bron van alles, nodigt uit tot doordenking, tot begrepen willen worden, met ons verstand, onze rede. Dat vraagt om wat je mag noemen mystieke theologie. Zegveld houdt een pleidooi (Zegveld 23-24).”Mystieke theologie is een manier van denken en spreken over God. Daarbij wordt diens werkelijkheid niet gezocht in de uiterlijkheid van tijd en ruimte of in de fixatie op en van woorden, maar in de inwendigheid van het gevoel en in de beleving van het hart, met de bedoeling om een met hem te worden, ‘vergoddelijkt’. Ook de geformuleerde geloofswaarheid omtrent God is immers geen eindpunt, geen laatste woord. Ze is niet meer dan een uitnodiging tot ervaring; niet om bij die ervaring halt te houden, maar om er als het ware doorheen te gaan en zelf omgevormd te worden, zodat jijzelf wordt wat de geloofswaarheid zegt, op een verantwoorde en zich verantwoordende manier”. En: “Eerst moeten we datgene wat we geloven, op een onthullende manier in relatie brengen met de ervaringswereld van mensen. Iedere geloofswaarheid, inclusief die omtrent God, heeft een mensvormige bodem en zegt iets over wie of wat een mens is. Maar een mens is bodemloos, zijn ziel is een gat. De grote dogma’s over Christus bijvoorbeeld, ‘waarlijk God en waarlijk mens’ en zo, willen iets zeggen over hoe wij, mensen, God ervaren, wat in dit verband de ervaring is van de ware God en wat de diepte van het echte gat is. Deze dogma’s gaan dus meer over ons dan over God. Previes daarom is er geen christelijke mystiek denkbaar zonder theologie, en nog veel meer: is er geen christelijke theologie zonder mystiek”.
Mystieke theologie begint bij de eerbied voor mysterie, bij de ervaring, de geloofservaring. En mystagogisch pastoraat wil mensen binnenleiden in het geheim dat zij zelf zijn, pogen aan het licht te brengen de oorspronkelijke bedoeling en bestemming van ons leven, openleggen de verbinding tussen het geheim en het geheim van Gods aanwezigheid in ons midden.
Even een uitstapje / een excurs.
Een bezield lichaam
De opleiding van pastores heeft twee sporen: er is de lijn van gebed en spiritualiteit, en er is de lijn van de wetenschappelijke opleiding. Hart en hoofd, beide worden aangesproken. In de loop van de geschiedenis worden er telkens verschillende accenten gelegd. De ene keer meer op de spiritualiteit, de andere keer meer op de wetenschappelijke inhoud. Tegelijkertijd is er nog een derde spoor, dat bijna te vanzelfsprekend is en dus vergeten wordt: het lichaam, ons lichaam. Ons hoofd speelt een grote rol in ons handelen, dat is prominent aanwezig. In ons pastoraal contact laten we ook ons hart spreken. Dat alles speelt zich af in ons lijf, met ons lijf. We leven in een bezield lichaam, waarbij zowel de ziel als het lichaam aandacht verdient. En dan gaat het ook over ons: mijn naam, mijn uniciteit, belichaamd in mijn lijf. Mijn levensenergie is verbonden met de vitaliteit die door mijn lichaam stroomt. De levensvreugde, het vertrouwen, de moed, krijgt handen en voeten in mijn lijf. Mijn angsten en gebrek aan vertrouwen, mijn wanhoop, mijn haat, vertaalt zich in mijn lijf, zet zich ook daar als het ware vast. Aandacht voor de ziel gaat dus wezenlijk gepaard met aandacht voor het eigen lijf. Mijn adem is verbonden met de levensadem.
7. De pastor als mystagoog
Om met de woorden van Gerard Groener te spreken: de pastor als mystagogisch arrangeur. Wat is dat?
Eigenlijk: inleiding en inwijding in het geheim van Gods oneindige nabijheid. Dat eerder dan enkel overdracht van kennis en cognitieve inzichten. Alsof dat de kern is van het traditieproces in preek, catechese. En dat ook nog eerder dan de grote nadruk op liturgie en de sacramentenbediening. In liturgie en sacramenten gaat het om verdichtingsmomenten, hoogtepunten die even weer helder maken waar we staan, uit wie we geboren zijn. Maar deze hebben verbinding nodig met de levende ervaring van mensen die weet hebben van zichzelf als een geheim, als verbonden met de oorsprong, God in ons midden. Deze verbinding is noodzakelijk, anders worden deze momenten hol, nietszeggend, in de lucht hangend.
Dat mystagoog zijn begint met ‘lezen’. Het landschap leren lezen, zoals Rein Brouwer ons dat vorig jaar tijdens de ledenvergadering leerde. Kijken met het oog van een theoloog naar de dingen, de mensen, de gebeurtenissen, peilen wat er achter de dingen gebeurt, proberen te verstaan wat er zich in de ziel van mensen afspeelt. Het wordt steeds helderder dat wanneer mensen zich lichamelijk en psychisch niet lekker voelen en klachten vertonen, dat mede of helemaal zijn oorsprong vindt in crises op zielsniveau,onuitgewerkte conflicten, niet leven in overeenstemming met je bestemming, om het maar duur te zeggen, niet doen wat moet doen uit angst en valse bescheidenheid. Dat is een kunst, een kunde: voelen waar het wezenlijke zich afspeelt onder en achter de dingen. Lezen wat mensen zeggen als zij hun nood op tafel leggen, als zij uitspreken wat het diepste verlangen is. Daar is niet een uitgewerkt systeem voor te bedenken, er is ook niet de logica van een en een is twee. Het gaat eerder om intuitie, voelen wat er bij je binnenkomt aan energie en emotie, dat proberen te verstaan en te begrijpen.
En als je als het ware op het niveau van de ziel de ‘vraag’ in beeld hebt gebracht, is het vervolgens je taak ook een ‘antwoord’ op zielsniveau te vinden. De mens behulpzaam te zijn bij het vinden van zijn weg, bij het antwoord geven op zijn verlangen naar wat ontbreekt. Toe te groeien naar God, om het zo te zeggen, af te stemmen op zijn aanwezigheid. Niet “MIJ” overslaan, maar ruimte maken en vinden om “MIJ” te laten zijn, te laten spreken, en me als het ware over te geven aan een hand die leidt. Dat is het vinden van een innerlijk zwaartepunt, een innerlijk kompas dat eenheid brengt, dat laat zijn, dat me doet toevertrouwen aan een hand die leidt en wenkt. Zoals Herman Finkers zegt met de psalmtekst…nadat hij door het badwater van zeven jaar pauze en ziekte is heengegaan… zoals n kleinn bij de moo ligt, zoals n kleinn bie de moo lig..
Hier vindt dan de overgang plaats van de religieuze, zoekende mens naar laten we zeggen de mystieke mens. Waar de religieuze mens zoekt, weet de mystieke mens zich gevonden. Dat is dus loslaten, en gevonden worden. De mystieke mens leeft in en uit de verbinding met God, hij leeft er als het ware uit, als een vrije mens, niet gehinderd door de waan van de dag, de maalstroom in het hoofd, maar los, los van de kaders en de conventies.
8. In deze pastorale context
Ja, hier ligt een uitdaging deze weg in te slaan, vanuit deze actuele context. Er moeten ook beleidsplannen geschreven worden. Parochies moeten samengaan, pastores werken in toenemende mate samen in teams, kerken moeten we sluiten en andere bestemmingen geven. En temidden van deze context ligt hier deze uitdaging.
We kunnen niet alles zijn, willen niet alles zijn. We leveren een unieke bijdrage, hebben een uniek vak. Als pastor – mystagoog – leiden wij mensen binnen in het geheim van hun bestaan. Dat geheim is God: bron en oorsprong van leven, genadige bron, bron van vergeving ook. Dat vraagt om omvorming, omschepping, om het licht niet in de weg te staan, om de stroom van genade niet te blokkeren,om mij los te maken en over te geven aan de hand die leidt.
Als parochiepastor, pastoraal leider van een geloofsgemeenschap, heb je een relatie met individuele mensen in het verband van een groep, een gemeenschap.
Dat leiderschap wordt door Groener onderscheiden in drie aspecten. De organisatie vraagt om management. Dat is niet de taak van de parochiepastor. Deze berust bij bestuur en werkgroepen, terwijl de pastor een adviserende rol heeft. En we weten allen van het ongemak dat we ook nog de taak hebben bestuursleden te moeten begeleiden om goed te besturen. Maar goed. De parochie als sociaal verband vraagt om sociaal leiderschap. Het terrein is hier de communicatie, de omgang met macht en conflicten, peilen van behoeftes en motivaties. Maar ook hier ligt niet onze eigenlijke taak. Terwijl we weten dat af en toe brandjes moeten blussen, conflicten moeten beslechten, een communicatieprobleem moeten oplossen.
Onze eigenlijke taak ligt in de geestelijke leiding van de geloofsgemeenschap als religieuze beweging. Daar ligt de kern van onze opdracht. Dit leiderschap is bron-gericht. Het wil mensen toegang geven tot de rijke bronnen van onze geloofstraditie, het wil mensen openen voor het eigen innerlijk, voor de ziel als de plaats waar God geboren wordt (Eckehart). Dat leiderschap is ook doelgericht: het wil orienteren, de weg wijzen, richting aangeven, een samenhangende visie op de toekomst ontwikkelen.
En dan zijn er wat betreft het geestelijk leiderschap twee krachtlijnen: de mystieke lijn, en de diaconale lijn, en dat in een samenhang, zeg maar de term dat alles samenbrengt, het Rijk Gods. Er is een samenhang tussen de eigen bewogenheid en het bewogen worden door de ander. Er is een samenhang tussen mijn zielenheil en het heil van allen. Het omvormingsproces op weg naar een leven ‘uit’ God heeft een samenhang met de roep van de ander. Dit punt vraagt om nadere uitwerking, maar niet hier.
Donderdag 15 oktober 2009
Drs. Nico Bulter,
Beleidsmedewerker VPW Nederland