PASTORAAL LEIDERSCHAP IN EEN VERANDERENDE CONTEXT
Joure, 22 september 2009. VPW-Groningen-Leeuwarden
Inleiding
Wat is de context van het pastorale leiderschap in deze tijd? Je kunt dan denken aan de maatschappelijke context en aan de kerkelijke context. En voor een gedeelte overlappen die elkaar.
Bij de kerkelijke context kun je denken aan de krimp, waarin we zitten en dus aan allerlei fusieprocessen van parochies, zoals die overal in het land -maar nog niet of minder in jullie bisdom- plaats vinden. Of aan het verdwijnen van allerlei vertrouwde instituten, zoals dekenaten en allerlei theologie-opleidingen. (Ook aan de FKT hebben we voor Tilburg en Utrecht te weinig studenten.) Of aan de gure wind, die vanuit de rechter hoek over onze kerkprovincie waait. En wat dat betekent voor de rol- en profielverdeling tussen priesters en pastorale werk(st)ers. Maar mij is uitdrukkelijk gezegd, dat dit niet de hoofdinsteek van de vraag moest zijn. De blik moet primair gericht zijn op de veranderende maatschappelijke context, waarin wij leven.
Ik ga dat -gehoorzaam als ik ben- dus doen. Dat betekent, dat ik ook wat sociologische beschouwingen ten beste ga geven. Natuurlijk ben ik geen echte socioloog: ik ben theoloog, praktisch theoloog en van huis uit ook systematisch theoloog. Maar goed, jullie vragen om wat sociologie van een praktisch theoloog, ten dienste van pastoraal leiderschap. Ik kan daar aan voldoen, omdat ik nauw samenwerk met de socioloog Staf Hellemans. Daarnaast moet ik, om met open kaart te spelen, melden dat ik als praktisch theoloog heeft vanouds twee grote interesses heb: aan de ene kant de spiritualiteit, aan de andere kant de diaconie en de grote sociaal-economisch-politieke vragen. De spirituele interesse is bij mij naast dat ik er ook voor mijn eigen persoon en geloof in geïnteresseerd ben altijd ook naar het pastoraat toe gericht; dus dat sluit hopelijk aan bij jullie directe interesse. Het diaconale, de nabijheid aan de mensen, die het slecht rooien in onze samenleving, dient er ook toe, dat we met de spiritualiteit niet gaan zweven. Ik hoop natuurlijk dat die interesse ook aansluit bij wat jullie zoeken.
Globalisering, functionele differentiëring en individualisering
Staf Hellemans heeft de moderniteit gekenmerkt met deze drie woorden: voor het macro-niveau de globalisering, voor het meso-niveau de functionele differentiëring en voor het micro-niveau de individualisering.
Globalisering kennen we: de aarde is één groot global village geworden. Dat was ze al langer: als Nederlanders beheerden we Indonesië en stukjes Amerika als koloniën. Maar nu stuur ik ‘s middags even een mail naar Manilla en kijk naar de foto-reportage van een nichtje, dat op vakantie is in Venezuela, terwijl ik ‘s avonds naar een film uit Iran kijk (Fish fall in love). Twee gevolgen van de globalisering, zoals die in feite plaats vindt, wil ik er even uitlichten. De ene is, dat de globalisering in feite beheerst wordt door de wetten van de economie en wel een neo-liberaal gestuurde economie. De markt regeert. Dat wil zeggen: de bazen van de markt regeren. Want als de marktwerking hun niet goed uitkomt, regeren plotseling toch weer de wapens. In die zin is er nog steeds een zekere kolonisering van de Derde Wereld door economie en imperiale macht. Wij trekken naar de Derde Wereld op vakantie, zij trekken hierheen om aan honger of ander geweld te ontsnappen. Wij heten daar legaal, zij hier illegaal. Een ander gevolg is dat van de pluralisering van onze wereld. We ontmoeten verschillende culturen en die culturen mengen zich. Daarmee wordt alles historisch. Ik bedoel: een cultuur is een huis, waarin je woont en terwijl je erin woont, wordt het voortdurend verbouwd. Dat geeft, om het zacht te zeggen, enige onrust. Je kunt het als bevrijdend ervaren, als spannend en als hoogst beangstigend. Voor al die reacties zijn wel redenen ook, trouwens. We kunnen aan Wilders en Le Pen denken en aan het ontstaan van sekten en het fundamentalisme überhaupt, maar ook aan allerlei trainingen met yoga en andere manieren om jezelf te vinden, je balans te vinden. Het is allemaal dichterbij dan het ooit geweest is.
Het meso-niveau wordt gekenmerkt door functionele differentiëring. Het is een wat moeilijk woord voor een alom bekend verschijnsel. In de pre-moderne tijd -zeg: voor de 19e eeuw- werd de wereld in segmenten verdeeld naar stand en naar locatie. . In onze tijd is de maatschappij verdeeld in sub-systemen: van de economie, waar je werkt; van de staat, waar je burger bent; van de familie, waar je voor je affectieve leen terecht kunt; van cultuur, van school tot theater tot vakantie; van religie, waar je voor God gaat enzovoorts. Die sferen zijn in onze samenleving steeds onafhankelijker geworden van elkaar. Ze hebben hun verschillende core businesses en ze worden door eigen wetten geregeerd. De motor erachter is, dat onze maatschappij steeds complexer is geworden. Ik bedoel: als iemand mij moreel advies vraagt over beleggen, kan ik wel een paar algemeenheden geven over dat speculeren zonde is en dat de economie ten dienste hoort te staan van de mens en het gemeenschappelijk goed van een samenleving en dat dus Oikocredit een goede zaak is. Maar daar houdt mijn kennis ook ongeveer op: het is me nogal een ingewikkelde wereld, waarvan ik de risico’s niet overzie. En wij bewegen ons door die verschillende systemen heen. Dat vergt grote handigheid: we zijn allemaal “Legioen” geworden, met vele rollen. En daar moeten we leren schakelen, zoals bij he autorijden. (Tel je rollen maar eens op; wat gebeurt er, als bij Albert Heijn ineens iemand roept: Dag pastor, mijn man is weer beter.)
En daarmee zijn we aan de slotkarakterisering toe: individualisering. Ik gebruik dat woord hier niet in een morele zin, maar als nuchtere beschrijving van een proces. Ik bedoel er dus niet mee, dat mensen tegenwoordig meer op zichzelf zijn dan vroeger. Het tegendeel lijkt het geval, als ik naar het gebruik van mobieltjes kijk op straat. Ik bedoel er ook niet mee, dat mensen tegenwoordig egoïstischer zijn dan vroeger. Sociologisch bedoelen we ermee, dat mensen door de maatschappij verantwoordelijk gesteld worden voor het inrichten van hun eigen biografie. We worden opgevoed, gesocialiseerd tot individu, dat zoveel mogelijk het eigen leven op orde kan krijgen en dat heel het scala aan rollen, dat je krijgt toebedeeld zelf enigszins kan coördineren. Je mag vervolgens zelf kiezen, of je dat leven in zelfopofferende liefde leeft of egoïstisch, of je veel samen zult zijn met anderen of dat je meer op jezelf wilt leven.
Ik zei al, dat ik het begrip individualisering niet beoordeel in termen van goed of kwaad: het proces is in onze maatschappij zo onvermijdelijk als het weer. Voor een groot deel geeft het grote kansen en is het ook theologisch te verwelkomen. Ik bedoel: dat anderen niet meer mijn partnerkeuze regelen was eigenlijk al een vereiste van de Codex, toen het nog helemaal ongebruikelijk was. Geloven en liefhebben zijn persoons-akten, die alleen in vrijheid voltrokken kunnen worden. Dus is vrijheid van godsdienst een echt goed. Aan de andere kant moetje ook niet te snel zeggen, dat de mensen nu vanzelf vrije en volwassen subjecten worden. We krijgen steeds meer te kiezen, maar worden daarbij aan alle kanten gemanipuleerd, door de reclame, door onze peer-groups, door de media. Je kunt ook zeggen, dat in onze cultuur de puberteit langer zal duren en -mits je redelijk succes hebt- tot de dood toe volgehouden kan worden. Wie zich de seks-schandalen onder Amerikaanse, Britse en Italiaanse politici even voor de geest haalt, heeft een schrijnend beeld voor ogen van wat ik bedoel.
Voor de kerk betekent het voorgaande, dat ze aan alle kanten vrijwilligheidskerk geworden is. Let wel: ik zeg niet vrijwilligerskerk, maar vrijwilligheidskerk. Toen onze kerk nog volkskerk was (in de typisch Nederlandse modus van: verzuild deel van Nederland), was ze al volop vrijwilligerskerk, zeker als je de hele zuil erbij telt. Maar ze was volkskerkelijk in de zin van dat men er gemiddeld van de geboorte tot het graf deel van uitmaakte, zonder dat men uittreden als een reële optie beleefde. Althans gemiddeld. Binnen de kerk geloofde men intens of minder intens, maar de alternatieven lagen ver genoeg buiten de horizon om echt in overweging genomen te worden. Mijn moeder heeft volgens mij geen gedachten besteed aan een eventueel overgaan naar de reformatie, al waren er protestantse noabers, of naar het boeddhisme -ze kende dat niet- of naar het niksisme -dat kwam natuurlijk niet in aanmerking. Ik zeg dat niet, om mijn moeder omlaag te halen. Integendeel, ze was een zeer gelovige vrouw. Ik zeg dat ook niet, om mijn moeder heilig te verklaren. Dat was ze misschien wel, maar niet vanwege dit gebrek aan twijfel. Zo was haar tijd, zo was haar omgeving. Daarin was ze toen normaal. Mijn tijd was al anders. Ik liep door de bossen van Dijnselburg en werd echt gepijnigd door de vraag, of Sartre gelijk had met zijn atheïsme.
Bedenk verder: de functionele differentiëring houdt ook in, dat mensen slechts lid blijven of worden van een kerk vanwege het eigene van die kerk: het Heilige dat daar te vinden is. Het woord van Augustinus wordt weer waar: christen wordt men voor het eeuwig leven. (Eeuwig leven is daarbij niet alleen het leven na de dood.) De winkelier hoeft immers niet meer rooms te blijven, omdat hij anders zijn klanten kwijt raakt. Wie van mooie Gregoriaanse muziek houdt, kan prachtige cd’s of dvd’s kopen, waar geen kerkkoor tegen op kan. Natuurlijk zullen wij vervolgens aan mensen moeten melden, dat je bij Jezus geen losse religie kunt krijgen. Godsliefde zonder naastenliefde, dat gaat bij ons niet.
Syncretisme: onverschilligheid of openheid?
In vroeger tijd oordeelde men er meestal negatief over, als mensen hun religieuze boodschappen uit verschillende zaken haalden, bijvoorbeeld bij de boeddhisten en in Rome. Dat heette vaak “syncretisme”, vermenging en dat woord werd meestal in negatieve zin gebruikt. Tegenwoordig noemen we het vaak shoppen en meestal wordt ook dat woord negatief gebruikt. Zoals een student uit de wat conservatiever hoek laatst zei: “maar mensen gaan toch alleen shoppen, als ze de eigen traditie niet kennen...”. Het duurde een tijdje voor ik hem duidelijk kon maken, dat er inderdaad ook nog heel wat te shoppen valt in de eigen traditie, maar dat men in de eigen traditie ook vormen van denken en spiritualiteit kan ontmoeten van mensen, die elders geshopt hebben. Je gaat naar een trappisten zen-klooster in Zundert, om zen-sessies te volgen bij Jeroen Witkam.
We zijn ondertussen iets positiever geworden over vormen van syncretisme. In de missiologie werd en wordt er gediscussieerd over inculturatie: hoe kan het christendom echt van een cultuur worden, zonder dat het er helemaal in opgaat? Dat is niet alleen een kwestie van vormgeving. Het is ook een opname van inhouden. Vergelijk de manier, waarop christelijke denkers als Augustinus en Thomas Plato en Aristoteles hebben opgenomen in hun denken. Daarmee hebben zij een Hellenistisch-Latijnse vorm van christelijk denken geschapen, die het Grieken en Romeinen mogelijk maakt christen te zijn zonder overbodige hobbels. Het kruis zelf is al ergerlijk genoeg. Daarbij ontstaan gaandeweg ook criteria voor wat goede inculturatie is en wat eenvoudigweg aanpassing is, verwereldlijking van het geloof of reductie. Bij de inculturatie bijvoorbeeld is het een goed teken, als geloof en cultuur wederzijds leren en zich wederzijds aanpassen. Zo kan men syncretisme opvatten als een houding van “voor elk wat wils”, “als het maar leuk voelt”. Dan zit er in het geheel enkel ego-gerichtheid. Dan zijn syncretisme en shoppen schijnreligiositeit en dus negatief te beoordelen. Maar als er oprechte nieuwsgierigheid in zit en openheid voor wat goed is en waar er te leren valt, wat zou er dan tegen zijn? En als het bij Jezus Christus past, waarom zouden we het dan niet aanvaarden?
En toch houden we niet helemaal van religieus shoppen. Hoe komt dat? Natuurlijk kan dat ressentiment zijn van de pastor, die het liefste ziet, dat al zijn klanten exclusief bij hem of haar hun waar halen. Daar kan ik alleen op zeggen, dat die pastor maar moet leren, ermee te leven, dat het zo gaat en niet anders. Maar er is ook een legitieme vraag aan het shoppen. Als christen-pastores bieden wij mensen een liefde aan, die van Godswege, die van Jezus Christus en we hopen, dat er een wederliefde ontstaat. Waar die liefde in het spel komt, is er even geen plaats voor shoppen. Want in het shoppen kijk ik, of zaken bij mij passen. Ik heb de zaak daar in regie. Maar bij liefde komt een ander mijn leven binnen. Daar zit een moment van overgave in: de ander neemt het over, ik raak geboeid. De prijs voor die liefde ben ik zelf. Nu is het probleem, dat wij misschien wel een desiderium naturale naar die liefde hebben, maar dat dit verlangen ons, als het er is, in elk geval niet rechtstreeks de paden van de liefde op voert. We moeten als het ware attent gemaakt worden op sporen van God. Onze interesse moet gewekt worden. En als dat gebeurt, als we eenmaal aan het shoppen zijn, kan het gebeuren, dat de zaak het als het ware overneemt. Daar hopen we op, daar mag ons pastoraat op gericht zijn. Te maken is het niet. Ervoor en erna kunnen en mogen mensen open rondneuzen. Erna zullen ze elders natuurlijk alleen halen, wat bij de gevonden en gegeven liefde past. Daar zijn vergissingen in mogelijk; in die zin is niet alle syncretisme goed, maar dat is iets anders dan dat we er principieel wantrouwend tegenover staan. En we kunnen dus ook het werk van bij mensen interesse wekken niet overslaan. In en rondom onze parochies zwerven zoekende mensen rond, aan wie we niets te bevelen hebben. Het kunnen aanstaande heiligen zijn, maar ook mensen die we na een tijd nooit meer terug zien. De consequenties voor het pastoraat van het feit, dat we meer en meer een vrijwilligheidskerk worden, zijn aanzienlijk. We moeten een kerk blijven, die orthodox is, dat wil zeggen: recht blijft doen aan het geheim van God. En tegelijk loopt alles er door elkaar. En autoriteit is maar heel beperkt inzetbaar. Spannend dus.
“Die Erlebnisgesellschaft”
De Duitse socioloog Gerhard Schulze heeft een fundamentele cultuursociologische studie geschreven: Die Erlebnisgesellschaft. Kultursoziologie der Gegenwart. De eerste druk stamt alweer uit 1992. Het is een zwaar Duits-academisch werk. Dus ik weet niet zeker, of ik het mag aanraden, maar het is fundamenteel. De grote these is, dat we in stijlen van leven en in manieren van groepsvorming een fundamentele verandering doormaken. Was tot -zeg maar- 1960 het economische doorslaggevend bij ons kijken naar het leven, zodat we keken naar klassen, die zich grotendeels onderscheidden door meer en minder aan bezit, tegenwoordig is dat paradigma veranderd, aangezien het strikte levensbelang van het economische is afgenomen, omdat ieder in principe tijd en geld over heeft. Zijn these is, dat we nu het leven meer bezien en waarderen in termen van: is het de moeite waard? is het een mooi leven? valt er wat in te beleven? knappen we ervan op of knappen we erop af? Er vindt daarbij een grotere oriëntatie naar binnen plaats: wat wil ik eigenlijk? en word ik daar wel gelukkig van?
Schulze zegt dat er een toename is van het belang van esthetische categorieën. Kochten onze ouders dingen op basis van de verhouding van prijs, degelijkheid en vermogen (dus een Opel), wij kijken naar andere dingen. Zoals een zwager van me zei: slechte auto’s worden niet meer gemaakt. Dus zwichten we voor het kontje van de Renault of de power van een terreinwagen. Die laatste wordt nog wel aangeprezen met wat hij kan: hier komt u mee door elk terrein, maar dat is in een algemeen geasfalteerd land nauwelijks relevant. Het gaat meer om de beleving van een heleboel vroem-vroem onder je kont.
Schulze gaat er nu vanuit, dat we in onze maatschappij elkaar herkennen aan drie algemeen erkende “alltagsästhetische Schemata”: het hoogcultuur-schema, het triviale cultuurschema en het actie- of spanningscultuur-schema. In het eerste schema houdt men van klassieke muziek, leest men moeilijke boeken en houdt men van een goed gesprek. Genieten is contempleren, verwijlen bij het goede en mooie. Men wil op niveau leven, het mag wat inspanning kosten. Als de samenleving maar niet één grote barbarij wordt. In het triviale schema houdt men van eenvoudige muziek, men leest de Boeketreeks, knutselt graag aan de motor of auto, houdt men van “gezellig bij elkaar”. Val maar niet te veel op, hoor gewoon bij de groep. Als we maar in harmonie met elkaar leven, een mooie quiz op de televisie. Af en toe een bruiloft. In het spannings-schema gaat het om het ontdekken van het leven, nieuwe wegen gaan. Je gaat naar een training, om je ziel te ontdekken of bungy-jumpen, om een kick te krijgen. Je wilt in elk geval niet het burgerlijke, in vaste stramienen verlopende leven van de oude zakken en theemutsen leiden.
Schulze stelt nu, dat er zich door combinaties van deze grove schema’s vijf “milieus” vormen, waar men elkaar min of meer herkent als “die hoort bij ons soort mensen”. Hij noemt de vijf milieus:
-niveaumilieu (dat zijn overwegend de hoogcultuur-mensen; vaak oudere hoger opgeleiden);
men wil niveau houden, dus streeft men perfectie na; men ziet het eigen leven als staande in dienst van de waarheid, de beschaving; het mooiste is erkenning krijgen en dan voor een duizendkoppige menigte vertellen, wat je bezielde/
-harmoniemilieu (dat zijn overwegend de triviale cultuur-mensen; vaak oudere arbeiders);
men wil graag bij een groep horen, dreiging is er om uit de boot te vallen; de samenleving ziet je ook al niet staan; het mooiste is een bruiloft met de bruid in tranen; de spanningen van allerlei lossigheid is voorbij en de sleur van het huwelijk nog niet aangebroken.
-integratiemilieu (ze combineren hoogcultuur en triviale cultuur; middenklasse); men leeft
graag in een geordend maatschappelijk verkeer, waar je van elkaar op aan kunt. De rust van samen de conventies houden. Het mooiste is een aardig buurtfeest of een uitje met het kantoor.
-zelfverwerkelijkingsmilieu (ze gaan uit van een innerlijke kern, die je volgt; ze combineren
spanningscultuur en hoogcultuur; jongere hoger opgeleiden) Ze willen zichzelf ontdekken en uitdrukken en zo het eigen unieke leven voltrekken. Het mooiste is, als een kunstenaar iets nieuws maken en daar helemaal in opgaan.
-amusementsniveau (dit zijn overwegend de spanningscultuur-schema-aanhangers; jongere
lager opgeleiden). Dezen willen gestimuleerd worden. Het ergste is verveling. Het mooiste is Miami Beach: Bacardi drinken, beachvolleybal met een bloedmooie meid naast je of achter op je motor.
Herkennen we de typeringen? Bedenk wel: dit zijn min of meer ideaaltypes. In de werkelijkheid zijn de grenzen vloeiend. Sociologisch gezien zijn bijvoorbeeld de laatste twee milieus jong. Dat wil natuurlijk niet zeggen, dat er geen senioren van dit type zijn. Wanneer je een advertentie van Zwitserleven ziet met een oude heer, die mobiel met de kinderen belt, terwijl een ober een glaasje serveert, dan kom ik toch ergens tussen het integratieniveau en het amusementsniveau uit.
Mijn opmerkingen over de verhouding tussen shoppen en liefhebben blijven gelden. De pretentie van de kerk zal altijd hoger moeten liggen dan dat we behoeften bevredigen. Er is een complete belevingsmarkt ontstaan. Onder de vakantie in Oostenrijk ontdekte ik de nieuwe trend van het “Wellness-resort”, een mengsel van fitness en well-being. Zwitserleven en dan ook nog gezond of zelfverwerkelijking met massage. Op een of andere wijze moet de kerk zich niet aanstellen als een soort wellness-instelling. En tegelijk: we mikken op hoger, maar moeten wel eerst interesse wekken. Dan is het wel goed, om een aantal basis-oriëntaties te kennen. Het verlangen naar niveau, het verlangen naar orde, het verlangen naar erbij-horen, het verlangen naar authenticiteit en het verlangen naar dat er wat gebeurt. Die verlangens en behoeften zijn geen van allen illegitiem, al zal het compleet je door zo’n verlangen laten drijven je doodongelukkig maken. Waar sluiten we aan bij deze verlangens? Waar heeft het evangelie het erover?
Het valt me op, dat de eerste drie milieus ons het bekendste zijn in kerkelijke kring. Die zijn dan ook het meest verspreid onder de oudere groepen, zeg maar die van voor 1960 als geboortejaar. We bedienen daar waarschijnlijk het integratiemilieu het beste. Vroeger werd het niveau-milieu bediend met het Gregoriaans en het harmoniemilieu met “O reinste der schepselen”. Nu zitten we daar meestal tussenin, met Antoine Oomen en Huybers en de psalmen van de monniken. Ik noem nu de kerkmuziek, maar die oefeningen moeten we herhalen met het oog op de catechese. Waar komt het niveau-milieu aan zijn trekken? Kunnen we met het harmonie-milieu naar Kevelaer?
Maar waar zitten de jongere generaties? Kennen we hun wereld? Het zelfverwerkelijkings-milieu zou bij ons terecht moeten kunnen. Toch zien we vaak, dat ze overal te rade gaan, maar niet bij de kerk. We hebben aan het optreden van de hogere hiërarchische échelons het imago van een serie dogma’s en moraalgeboden en -verboden, dat niet bepaald uitnodigend werkt. Maar ook de plaatselijke parochie heeft gemiddeld niet het imago van een school voor spiritualiteit. Ook daar is ons imago dat van een moraal-club, misschien iets vriendelijker dan Mgr. Eijk, maar toch. En bij het amusementsmilieu is de aansluiting nog moeilijker, omdat daar soms religie nog verder weg lijkt dan bij welk ander milieu ook. Toch is dat nog maar de vraag. Toen ik laatst in een college over “religie en identiteit” met de studenten sprak over ego-documenten, die we zouden kunnen analyseren op dat thema, kwam één van de conservatiever studenten met de vraag of hij de teksten van “The Wall” van Pink Floyd ook mocht analyseren. Ik signaleerde meteen twee dingen: a) dat ik van niks wist en b) dat die student in de opmerkingen ervoor eerder een rechtse signatuur bij me had opgeroepen. Dat geeft toch te denken. Als er onder ons zijn, die de wereld van pop en rock en hard metal en hoe het allemaal ook heten mag kennen, laat ze toch eens studie maken van wat daar om gaat staan. Dat mag en moet in de baas zijn tijd, vind ik. Want we moeten wegen vinden naar de nieuwe generatie.
Dank voor uw aandacht.
Jozef Wissink