U bevindt zich hier: HomeVPW Groningen-Leeuwarden

Ko Schuurmans: Onding of pastorale noodzaak? Over de woord en communieviering

Inleiding voor de pastores van het bisdom Groningen-Leeuwarden

op 14 oktober 2010 te Drachten

Onding of pastorale noodzaak?

over de woord- en communieviering

 

Er zijn er die de woord- en communieviering een probleem vinden. Ik denk dat dát wel mee valt. Er zijn veel grotere, werkelijke problemen in onze wereld. Bijvoorbeeld waarom vandaag mensen van de honger sterven. Of omdat ons land verwilderd. Of omdat onze kerk in het verdomboekje staat. Afgedaan wordt als een enge sekte bij wie kinderen en jongeren niet veilig waren. Of omdat onze kerk alle aantrekkingskracht lijkt te verliezen. Of omdat intellectuelen schouderophalend aan ons voorbijgaan en we dus onze uiterste best moeten doen om met hen de discussie over tal van onderwerpen weer aan te kunnen gaan.

 

Ondanks dat gaan we vandaag toch spreken en samen nadenken over de woord- en communieviering. Mijn verhaal draagt als titel: de woord- en communieviering: onding of pastorale noodzaak?

 

Om te beginnen.

Al 23 jaar geleden verscheen het boekje van de liturgist Ad de Keyzer getiteld Als er geen priester is - overwegingen bij de communieviering als alternatief voor het vieren van de eucharistie. Het is nog altijd zeer lezenswaardig. Ik zou het hier kunnen gaan voorlezen.

Hij schrijft: Het probleem dat aan dit boekje ten grondslag ligt is in feite geen liturgisch probleem. (KS: Oftewel het is een ambtsprobleem, schrijft hij verderop in de tekst). Daarom valt het serieus te overwegen geen communievieringen te houden om het gemis aan eucharistievieringen en dus het gemis aan priesters goed te laten ervaren. Wie weet wordt dan eindelijk de druk op de ketel van onderaf zo groot dat binnen de kerk het beleid ten aanzien van priesterwijdingen langzaamaan gaat veranderen en dat de noodzaak van die verandering ook gevoeld wordt.

En verder:

Uitgangspunt bij alle discussie rondom het priestertekort en de gevolgen daarvan voor de eucharistieviering zal moeten zijn dat de eucharistieviering niet te vervangen is en dat bovendien elke gemeenschap op zondag het recht heeft samen te komen voor de viering van de eucharistie.

Wanneer de Keyzer schrijft over het recht van een gemeenschap op de eucharistie heeft hij dat niet van een vreemde en niet van de minste. Al in 1972 schreef Karl Rahner daar een zinnig artikel over in het tijdschrift Concilium.

We zijn nu 23 jaar verder en we moeten Ad de Keyzer teleurstellen. De discussie komt niet op gang. De goede bisschop van Brugge Jozef de Kesel noemde onlangs in een interview in een bijzin de mogelijkheid van de verruiming van de ambtscriteria. Snel daarna nam hij het al weer min of meer terug. Onder druk? Als wij de discussie met de intellectuelen willen voeren zullen wij ook in eigen kring - als intellectuelen - geen onderwerp onbesproken laten. Alles is bespreekbaar en dat mag. Dat moet zelfs! En niemand wordt er op afgerekend!

 

Maar ik wil het hier niet meer hebben over de toelatingscriteria. Of toch nog even.

Ik neem u mee naar het boek Utopia van Thomas More (1478-1535). More, was een diepgelovige tegenstrever van Hendrik de 8ste en werd uiteindelijk op bevel van die koning vermoord. In zijn boek laat hij zijn hoofdpersoon vertellen over de mensen in dat utopische, niet-bestaande (?) land:

Niet weinigen zijn tot onze godsdienst overgegaan en zijn door de heilige doop gereinigd. Doch aangezien er onder ons vieren - zoveel waren er namelijk slechts van ons overgebleven, twee waren gestorven - helaas zich geen priester bevond, zijn zij wel in al het overige ingewijd, maar moeten nog de sacramenten ontberen, die bij ons alleen de priesters mogen toedienen. Zij hebben er echter begrip van en er is niets, waarnaar zij vuriger verlangen. Ja, zelfs vormt dit ook voor hen een onderwerp van ernstige bespreking of iemand uit hun midden, zonder dat een christelijke bisschop wordt gezonden, kan worden gekozen en zo het karakter van priester verkrijgen. En het scheen inderdaad dat zij iemand zouden kiezen, maar toe ik vertrok had de keus nog niet plaats gehad (blz.136-137).

Waarlijk krasse taal en dat voor een heilige! Hebben de dominicanen zich enkele jaren geleden in hun nota over een nieuwe invulling van de ambten zich door hem laten inspireren?

 

Er zijn meer woord- en communievieringen dan je denkt!

Ik heb begrepen dat de verhouding eucharistievieringen - woord- en communievieringen in jullie bisdom in het weekend ongeveer half om half is. Weten jullie echter dat de meeste mensen die deelnemen aan een eucharistieviering toch zonder dat ze het misschien in de gaten hebben, deelnemen aan een woord- en communieviering? Er zijn dus nog veel meer woord- en communievieringen dan wij wel denken. Wat zie je namelijk tijdens een eucharistieviering doorsnee gebeuren vlak voor de communie? Dan worden er een of twee cibories op het altaar geplaatst. De meeste mensen ontvangen vervolgens de communie van deze Heilige Reserve. Wat lezen wij echter in artikel 85 van het Algemeen Statuut van het Romeins Missaal? Daar lezen wij:

Het is zeer gewenst, dat de gelovigen, zoals ook de priester zelf verplicht is te doen, het Lichaam des Heren, ontvangen in hosties die in dezelfde mis geconsacreerd zijn en in de voorziene gevallen deelnemen aan de kelk opdat zo ook door tekenen beter zichtbaar wordt dat de communie een deelhebben is aan het offer dat op dat ogenblik gevierd wordt.

Ja, maar dat doen we altijd zo uit praktische overwegingen! Wie echter over deze praktische overwegingen nadenkt komt er achter dat - zoals ook bepaalde kerkplekken mij leren - het heel goed anders kan in plaats van terug te vallen op de H. Reserve. Ondertussen hoor ik pastoor Van Beukering - groot liturgist in Nederland voor Wereldoorlog II - roepen: dit is dus toch weer mishoren of de Mis bijwonen. Terwijl ik toch toen al schreef: we zouden eigenlijk moeten zeggen daadwerkelijk meedoen aan het H. Misoffer of in het kort: de Mis meedoen, de Mis mee opdragen! (F.van Beukering: De Mis, 1939, blz.17). 

 

Herkomst van de woord- en communieviering

De communieviering als afsluiting van een woord- en gebedsdienst, die wij als viering in heel veel parochies kennen wanneer er geen eucharistie gevierd kan worden, komt niet uit de lucht vallen. Maar waar komt zij vandaan?

Het communiceren van brood en eventueel wijn buiten de eucharistieviering, dat geconsacreerd was in een eerdere eucharistieviering, heeft al vroeg in de kerk bestaan. Zo lezen wij bijvoorbeeld in de Eerste Apologie van Justinus de Martelaar (ca.110-166): "Heeft de voorganger de dankzegging gesproken en heel het volk zijn instemming betuigd, dan delen zij die bij ons diakens heten aan ieder van de aanwezigen uit van het brood, de wijn en het water waarover de dankzegging uitgesproken is en brengen het ook aan hen, die niet aanwezig waren" (nr.65). Wie zijn die afwezigen? We moeten hierbij vooral denken aan ouderen en gehandicapten, zieken - in het bijzonder stervenden - en vervolgde christenen in de gevangenis. Het gaat hierbij dus niet om redelijk gezonde en vitale geloofsgemeen- schappen, die op zondag zonder priester bijeenkwamen.

In de oude kerk vierde men alleen op zondag eucharistie. Nu groeide de wens om ook door de week te kunnen communiceren. Vanaf de tweede eeuw ontstond de gewoonte om geconsacreerd brood mee naar huis te nemen. Of ook geconsacreerde wijn werd meegenomen is onduidelijk. Deze zogeheten (t)huiscommunie werd nadien tegengegaan vanwege de gesignaleerde magische misbruiken. Deze (t)huiscommunie werd o.a. gepraktiseerd door kluizenaars en kloosterlingen, die de geconsacreerde gaven meenamen naar hun cellen om door de week te kunnen communiceren. Ook zijn er twee middeleeuwse manuscripten bekend uit de 10de en 11de eeuw, die ieder een orde van dienst bevatten voor een aparte communiedienst zonder priester. Het gaat hier om twee uitgewerkte communierituelen, die gebruikt zijn in een mannen- en vrouwenklooster. Uit de manuscripten kan echter niet afgeleid worden of deze rituelen van toepassing zijn op de zondagse liturgie. Opmerkelijk is dat deze orden van dienst op geen enkele wijze de orde van de eucharistie hebben nagebootst. De woorddienst ontbreekt bijvoorbeeld. Naast de nuttiging van het brood kennen ze echter wel het drinken van de wijn. Maar ook in deze vorm van communiceren buiten de eucharistie gaat het opnieuw niet om een gewone geloofsgemeenschap, die op zondag zonder priester bijeenkomt.

Nu kennen we nog de Liturgia (of Missa) Praesanctificatorum (Munerum), de liturgie (of mis) van de tevoren geheiligde (geconsacreerde) gaven. Deze zelfstandige communiedienst, die in de vroege kerk van het oosten ontstond, vindt haar oorsprong in het verlangen van de gelovigen om ook op weekdagen in de vasten, wanneer er geen eucharistie gevierd wordt, toch te communiceren. Dit type liturgie is in het westen sinds de 7de eeuw tot op heden bekend, maar alleen op Goede Vrijdag.

Wie zijn oude missaal bij Goede Vrijdag opslaat, ziet dat na de kruisverering gesproken wordt over de "missa praesanctificatorum". Tijdens dit afsluitend ritueel van de Goede Vrijdagliturgie wordt de communie door de priester van het rustaltaar gehaald. Na enkele gebeden, waaronder het Onze Vader, communiceerde hij. In 1956 werd toegestaan, dat ook de gelovigen communiceerden. Ook in het nieuwe missaal wordt de Goede Vrijdagliturgie afgesloten met een communieritus.

Deze liturgie van de vooraf geheiligde gaven is nadrukkelijk bedoeld voor de weekdagen en niet voor de zondag. De voorganger is gewoonlijk een priester. Om die reden kan deze "liturgia praesanctificatorum" niet beschouwd worden als een voorloper van de huidige communieviering. Alweer omdat dit laatste type viering bedoeld is als vervanger van de normale zondagse eucharistie.

Waar komt de communieviering dan vandaan?

Je mag stellen: uit de (late) middeleeuwen. Voor de communie van de gelovigen buiten de mis - die als ziekencommunie al bekend was - ontwikkelde zich een ritus bestaande uit geloofsbelijdenis en schuldbelijdenis, een ritus die licht gewijzigd ook bij de liturgische hervorming van de 16de eeuw gehandhaafd bleef. Tot de liturgievernieuwing van Vaticanum II vormde zij de normale omlijsting van "de algemene communie buiten en ook tijdens het misoffer".

Reden van de invoering van deze ritus was om de vele communicanten op de weinige momenten, dat men communiceerde, niet te belasten met een al te lang durende eucharistieviering. Abt Angilbert van St. Riquiér (gestorven in 814) besloot reeds om met Kerstmis en Pasen niet alleen tijdens de mis maar ook erna de communie uit te delen. Uit de 12de en 13de eeuw zijn talrijke berichten bekend over dit communiceren buiten de eucharistieviering. Zo ontstond een aparte ritus en de gewoonte om veel hosties te consacreren voor zulke, slechts zelden voorkomende, massale communiemomenten. De eucharistieviering en de communie was immers meer en meer een privé-activiteit geworden van de priester. De gelovigen waren gereduceerd tot passieve toekijkers. De angst om onwaardig te communiceren speelde hierbij zeker een rol. Ook de nadruk, die de eucharistische aanbidding en - devotie hadden gekregen.

In deze dikwijls bekritiseerde maar eeuwenlang gehandhaafde gewoonte om op momenten buiten de eucharistieviering eerder geconsacreerde hosties uit te reiken vinden we de herkomst van onze communieviering. Deze kritiek proef je wanneer je nr. 55 van de Constitutie over de Liturgie Sacrosanctum Concilium van Vaticanum II (december 1963) leest: "De meer volmaakte deelneming aan de mis die hierin bestaat, dat de gelovigen na de communie van de priester het Lichaam des Heren uit hetzelfde offer ontvangen, wordt bijzonder aanbevolen". Een aanbeveling, die nog lang niet overal gevolgd wordt. Ik zei het al: Hoe vaak zie je niet, dat vlak voor de communie cibories uit het tabernakel worden gehaald om de vele aanwezigen de communie te kunnen geven?

Men houdt echter rekening met gegroeide gewoontes en de wens van de gelovigen om te communiceren. Zo lees je in het Romeins rituaal voor "de heilige communie en de verering van de eucharistie buiten de mis" (1973), waarbij men de Instructie Eucharisticum Mysterium van de Congregatie voor de Riten van 1967 citeert, in nummer 14: "Men dient de gelovigen te leren communiceren tijdens de eucharistieviering zelf. Maar de priesters mogen de heilige communie ook buiten de mis niet weigeren aan de gelovigen die erom vragen". Het Kerkelijk Wetboek van 1983 bouwt hier op voort als zij zegt in canon 918: "Het wordt ten zeerste aanbevolen dat de gelovigen de heilige communie binnen de eucharistie zelf ontvangen, maar met inachtneming van de liturgische riten, moet ook hun buiten de Mis de communie gegeven worden als zij er met goede reden om vragen". Het bovengenoemd Romeins rituaal van 1973 verscheen in 1976 in het Nederlands. De orde van dienst bestaat uit een opening met schuldbelijdenis, de woorddienst, tussenzang en gebed, communie met het Onze Vader, vredeswens, Lam Gods, slotgebed en slotwoord met zegen en zending. Er valt dus een sterke overeenkomst met de orde van dienst van een eucharistieviering te signaleren.

 

Wat is een goede reden?

Maar wat wordt toch bedoeld met de "goede reden" in canon 918 van het kerkelijk Wetboek? Duidelijk is, dat we daar het ontbreken van priesters onder kunnen verstaan. We moeten daarbij niet alleen denken aan missiegebieden, maar in toenemende mate ook aan de westerse wereld, ook ons eigen land. Daarom zijn we vandaag rond dit thema samengekomen. Meestal zijn er wel gemeenteleiders (pastorale werkers / -sters), maar omdat zij gehuwd of vrouw zijn kunnen zij (nog) niet tot priester gewijd worden. Zo is er dus een kunstmatig gebrek aan gewijde voorgangers.

In 1965 ontving bisschop Hugo Aufderbeck van Erfurt in de toenmalig DDR van Rome de toestemming om in zijn diaspora-bisdom woord- en gebedsdiensten te laten houden met de uitreiking van de communie onder leiding van leken (de zogeheten Stationsgottesdienst of Kommunionfeier). De zeer pastorale bisschop Aufderbeck had onvoldoende priesters om - buiten de paar katholieke enclaves - met de verspreid wonende geringe aantallen katholieken regelmatig de eucharistie te vieren.

De situatie nu in ons land is niet of nog niet te vergelijken met de situatie in de toenmalige DDR. De katholieken bij ons wonen niet zo verspreid, hun aantal is toch nog altijd redelijk, zo ook hun mobiliteit. Het grootste probleem is echter het gebrek aan priesters, althans als je blijft uitgaan van de tot nu toe gehanteerde toelatingscriteria. Daarom kwam ook in Nederland het verschijnsel van de woord- en communieviering op. Allereerst bij jullie, toen nog in het bisdom Groningen. Jullie eigen onvolprezen, veel te vroeg gestorven Wim Boelens - zijn stem hoor ik nog - in het Gronings: nait soezen mor doun! - heeft er indertijd zinnig over gesproken, geschreven en aan gewerkt. Zijn nagedachtenis zij ons tot zegen!

 

Over de communieviering wordt door deskundigen en kerkelijke bestuurders nog altijd druk gediscussieerd. Heel actueel: het in juli j.l. verschenen 4de nummer van het Tijdschrift voor Liturgie besteedt er ruim aandacht aan! Liturgisch-theologische bedenkingen staan daarbij tegenover de pastoraal serieus te nemen wens van de gelovigen om de communie te willen ontvangen. Een wens waaraan voldaan kan worden met behulp van een uit de middeleeuwen misschien merkwaardig stammend ritueel om ook buiten de eucharistieviering de communie te kunnen uitreiken.

 

Waarom geen woord- en gebedsdienst?

Maar waarom kunnen we als er geen priester is niet gewoon een zuivere woord- en gebedsdienst houden? Natuurlijk kan dat. Onze protestantse broeders en zusters komen op de meeste zondagen al eeuwen bijeen voor een woord- en gebedsdienst. Aanvankelijk vierde men slechts een keer of vier per jaar avondmaal. In protestantse kring groeit echter de behoefte om meer dan voorheen het avondmaal te vieren. Nu is een keer per maand meer regel dan uitzondering. Er zijn zelfs enkele protestantse gemeenten, die iedere zondag avondmaal vieren.

Maar goed, oecumene of niet, protestanten zijn geen katholieken en omgekeerd. Wanneer je katholieken voorstelt om meer zuivere woord- en gebedsdiensten te houden, wordt er zuinig gekeken. Zonder communie vinden we het zo kaal, zo protestants, merkt men op. Een niet bepaald oecumenische opmerking! Waarom willen katholieken toch altijd zo graag te communie? Hebben ze dan niet gehoord dat de concilievaders tijdens Vaticanum II nog eens duidelijk hebben gesteld dat de Heer volledig onder ons aanwezig is niet slechts in de verzamelde gemeenschap, in de priesterlijke bedienaar als er eucharistie gevierd wordt, heel bijzonder onder de gedaanten van brood en wijn, maar ook in zijn Woord!? Als ik katholieken hierover vertel kijkt men mij dikwijls wat ongelovig aan. Je merkt, dat katholieken tamelijk "materieel" ingesteld zijn. We gebruiken in onze liturgie immers niet alleen onze oren om het woord van God te horen, maar wij maken ook een kruisteken met wijwater, worden getekend met het askruisje, krijgen een palmtakje, leggen bloemen neer bij het kruis, lopen met een brandende kaars en noem maar op. De ontmoeting met de Heer is daarom voor veel katholieken pas compleet als zij het H. Brood nuttigen.

Bovendien zijn wij natuurlijk - althans de wat ouderen onder ons – "kinderen" van paus Pius de Xde, die de dagelijkse eucharistie of als dat niet kon dan toch de dagelijkse communie propageerde. Velen van ons zullen zich nog "het communie uitreiken buiten de mis" herinneren hetgeen 's morgens vroeg in de parochiekerken plaatsvond. In het dorp van mijn jeugd maakten de arbeiders op weg naar de fabriek en vooral moeders van grote en drukke gezinnen van deze gelegenheid gebruik, omdat ze geen tijd hadden om "de mis bij te wonen". Pius X was het ook, die de leeftijd waarop je voor de eerste keer ter communie mocht, verlaagde tot de zogeheten "jaren des verstands" - zeg maar een jaar of zes / zeven. Ik noem hem om die redenen wel "de vader van de communievieringen". Opvallend is nu dat je onder de spaarzame jongeren in onze kerken veel minder de behoefte voelt om te communiceren in welke viering dan ook met of zonder priester.

 

Wat zeggen de documenten?

In 1988 verschijnt het Directorium voor vieringen op zondag bij afwezigheid van een priester van de Romeinse Congregatie voor de Eredienst. In artikel 18 lezen we, dat wanneer op zondag er geen eucharistie gevierd kan worden, men moet bezien of de gelovigen niet elders ter kerke kunnen gaan (nr.18). Dit vraagt nogal wat van de kerkbeleving van de gelovigen en prefereert men de eucharistie boven een samenkomst van de plaatselijke geloofsgemeenschap. Vervolgens: Als er geen eucharistie gevierd kan worden zijn vieringen van woord- en gebed wenselijk (nr.19). En: Zo mogelijk wordt de viering besloten met de communie (nr.20). Bovendien: Vervangende zondagsvieringen mogen nooit plaatsvinden als de eucharistie dezelfde dag ter plaatse al gevierd of nog gevierd zal worden of als zij daar de voorafgaande avond al gevierd werd (nr.21). Deze wat restrictieve toon keert in toenemende mate terug in de Romeinse Instructie over vragen betreffende de medewerking van lekengelovigen aan het dienstwerk van de priesters uit 1997. Zo ook in de beleidsnota Meewerken in het pastoraat van de Nederlandse bisschoppen bij deze Instructie uit 1999 en in de Instructie Redemptionis Sacramentum van de Congregatie van de Goddelijke Eredienst en de regeling van de sacramenten uit 2004.

 

Hoe ziet de praktijk eruit?

Een paar jaar geleden was ik ergens in een mooi deel van Nederland op vakantie. Je houdt van je vak dus je bezoekt tal van kerken en je neemt overal de boekjes mee. Het bleek, dat men op de meeste kerkplekken in dat dekenaat in een weekend zowel een eucharistieviering had als een woord- en communieviering. Op sommige plekken zelfs op één ochtend een eucharistieviering én een woord- en communieviering. Heeft men geen kennis genomen van bovengenoemde teksten? Of is het aanbod van de gelovigen zo groot, dat men niet anders kan? Of wat misschien meer voor de hand ligt: honoreert men hiermee de gehechtheid van de gelovigen aan hun eigen voorganger(s), die de gemeenschap leiden en dus goed kennen en van daaruit betrokken voorgaan? Of houdt men nog altijd te veel rekening met de gehechtheid van de gelovigen aan bepaalde kerktijden? Voorheen waren meerdere vieringen in het weekend ongetwijfeld nodig vanwege het groot aantal kerkgangers, maar daar is nu allang geen sprake meer van.

De wens van instructies en nota's om prioriteit te geven aan de viering van de eucharistie begrijp ik heel goed en is ook terecht. We moeten echter wel blijven inzien dat woord- en communievieringen geen theologisch of liturgisch probleem is, maar een ambtsprobleem oftewel het gevolg is van een gebrek aan priesters. Nogmaals: zou de woord- en communieviering niet als vanzelf verdwijnen als wij door een ruimer toelatingsbeleid meer priesters zouden krijgen? Dan zou de woord- en communieviering weer kunnen worden wat zij van oudsher behoort te zijn: een voortgezette viering van de eucharistie voor hen, die door ziekte, ouderdom of andere redenen niet aanwezig konden zijn bij die eucharistieviering.

 

Hoe is de orde van dienst?

We moeten er voor waken, dat een woord- en communieviering geen "mis met een gaatje" wordt. Eerlijk gezegd vind ik daarom de orde van dienst, die in het Directorium van 1988 wordt aangereikt weinig creatief. Het enigste verschil met een eucharistieviering is het vervangen van het eucharistisch gebed door een dankzegging. Uit de praktijk weten we, dat een zogeheten communiegebed wat betreft lengte en inhoud soms aardig op een eucharistisch gebed lijkt. Waarom niet volstaan met het Onze Vader, dat toch het mooiste communiegebed is, eventueel voorafgegaan door een hele korte biddende toeleiding? Dit lijkt mij een betere oplossing dan het communiegebed na de communie te bidden, waartoe we worden aangespoord om "verwarring" te voorkomen. Na de communie dient er als vanouds tijd te zijn voor stil gebed.

Wanneer er geen professionele voorganger in de woord- en communieviering voorgaat is het voorstelbaar, dat er geen "preek" wordt gehouden, maar meerdere mensen samen een collage van verkondigende teksten uitspreken (een getuigenis, een gedicht, een bericht enzovoorts), die de Schriftlezing(en) uitleggen, toepassen en actualiseren. De drieslag of zelfs vierslag van een, twee of zelfs drie lezingen en dan de verkondiging is geen wet van Meden en Perzen. Kerkelijke documenten kennen toch ook hun hiërarchie! De orde van dienst van een woord- en communieviering is immers minder vastgelegd dan die van de eucharistie. Uit mijn eigen praktijk als liturgist in het bisdom Haarlem-Amsterdam heb ik hier goede evaringen mee.

Nadrukkelijk verdient het ook aanbeveling om meer dan gebruikelijk is werk te maken van "de dienst der gebeden". Want wat stelt het bidden van de voorbeden dikwijls voor? Niet veel. Een aantal intenties worden in een hoog tempo op een mededelingachtige wijze uitgesproken. En dat is het dan. Een gemiste kans. Het kan veel beter en ook de gemeenschap kan daarbij meer betrokken worden. Vergeten wij ook de symbolen niet. Symbolen zeggen vaak veel meer dan woorden. Onze liturgie is toch al zo dikwijls een te woordrijk gebeuren. Als je zo viert of gaat vieren, ontdek je dat de communie een minder prominente plek krijgt dan in de oude opzet van "een mis met een gaatje". Er zijn zelfs voorbeelden te noemen van parochies waarbij men volstaat met zuivere maar uiterst rijke woord- en gebedsvieringen, die na afloop de gelovigen nooit verleiden tot de uitspraak: maar ik heb de communie gemist! Zoals dat in toenemende mate gebruik wordt bij uitvaarten en ook wel bij huwelijksvieringen gezien de geringe band die de aanwezigen hebben met de eucharistie en de communie.

Als je echter toch de communie uitreikt, besteed dan wel veel aandacht aan het waardig en plechtig aandragen van de reeds geconsacreerde Gaven en leg altijd de verbinding met de eerder of elders gevierde eucharistieviering.

 

Wat is voorgaan?

Voorgangers (bisschoppen, priesters, diakens, pastorale werkers/sters en goed opgeleide parochianen) zullen wél goed dienen na te denken over wat hun voorgaan is in welke viering dan ook: het is een dienst aan de gemeenschap. Zij worden geroepen om die gemeenschap voor te gaan. Je hebt nooit het recht om voor te gaan. Een vieringrooster mag nooit zo worden opgesteld, dat een eucharistieviering moet wijken voor een andersoortige viering, omdat de pastorale werker/ster of de lekenvoorganger toch ook eens aan de beurt moet komen. Samen voorgaan als het mogelijk is kan heel goed en komt dikwijls feestelijk over. Zorg wel voor een goede en eerlijke rolverdeling, waarbij je praktisch moet omgaan met kerkelijke voorschriften. In noodgevallen mag immers een heleboel. Bovendien: wat is nood?

In Drenthe zou men zeggen: De sabbat is dr veur de mèènsch en niet de mèènsch veur de sabbat.

Overigens hebben ook priesters geen recht om voor te gaan. Natuurlijk de Heer is ook in ons midden in de persoon van de bedienaar als wij eucharistievieren. In persona Christi dus, maar dat wordt altijd voorafgegaan door het in persona ecclesiae. Het mag niet zo worden hetgeen je meer en meer hoort en waarover Gerard Lukken schrijft in zijn nieuwe en zeer behartenswaardige boek Met de rug naar het volk (2010). Ik citeer hem: Een neomist van het seminarie de Tiltenberg (bisdom Haarlem) antwoordde in een interview op de vraag Hoe ziet u het priesterschap? onder andere: Ik zie met spanning uit naar mijn eerste Mis om de consecratiewoorden uit te mogen spreken.

Mijn eerste Mis, hij zegt nog net niet mijn consecratiewoorden, nog afgezien van de voorvaticaanse theologie van de eucharistie die eruit spreekt (Lukken blz. 69).

Wanneer gaan we toch eindelijk inzien dat in al ons kerkelijk spreken het bezittelijk voornaamwoord enkelvoud (mijn mis, mijn viering, mijn kerk, mijn koor, mijn werkgroep, enzovoorts) zoveel mogelijk vermeden dient te worden?

Overigens kan gewoon kerkganger zijn voor voorgangers ook heel heilzaam werken. Je ontdekt dan weer eens hoe hard die kerkbank is en misschien hoe saai en langdradig de preek van een ander kan zijn. Of heel leerzaam en bemoedigend!

 

Het vieringrooster

Van alle voorgangers wordt een grote mobiliteit gevraagd letterlijk en figuurlijk. Daar weten jullie alles van. Jullie maken doorsnee vele kilometers. Het mag echter nooit zo worden zoals het nu in mijn eigen regio de Zaanstreek toegaat. In twee kerken zijn altijd en alleen maar eucharistievieringen. De andere parochies hebben slechts 1 x per 4, 5 of zelfs 6 weken een eucharistieviering. Maar dan kunnen ze toch naar die twee kerken gaan waar wel een eucharistieviering plaats vindt? Leuk of niet: zo zitten katholieken niet in elkaar. De eigen gemeenschap heeft veelal prioriteit. Het werd indertijd onderkend door jullie goede bisschop Bernard Moller zaliger gedachtenis en bisschop Ernst in hun nota's van alweer heel wat jaren geleden.

Aangepaste kerktijden dan? Wie het in jullie bisdom probeert krijgt veel commentaar, zo heb ik gehoord. Zit het geloof en dus ook de wil om letterlijk in beweging te komen bij katholieken soms niet zo diep?

 

Zijn eucharistievieringen en woord- en communievieringen voor kerkgangers inwisselbaar?

Zijn eucharistievieringen en woord- en communievieringen voor kerkgangers inwisselbaar?

Het lijkt er dikwijls op. Dit komt naar mijn mening door het gegeven dat kerkgangers de liturgie bekijken vanuit hun subjectieve beleving. Van daaruit beoordelen zij de liturgie. Zij oordelen vooral met hun gevoel: Wat doet het mij? Word ik geraakt? Als dat gebeurt is men dikwijls te tevreden. Professionals zijn veelal geneigd om de liturgie te beoordelen vanuit de objectieve benadering: Zij beoordelen de liturgie met hun verstand: wat voor viering is het? Is het een goed of goedgekeurd tafelgebed? Is het openingslied echt een opening en het slotlied echt een slot? Wie kent niet de discussie in je werkgroep liturgie over tal van deze zaken. De groep komt bijvoorbeeld aan met de gezongen voorbeden "Omdat Gij het zijt" van Oosterhuis. Daar heeft men de instellingswoorden in opgenomen. Men wil het zo gebruiken als eucharistisch gebed. Jij zegt als verantwoordelijke: maar dat kan niet! Maar het is toch mooi? luidt de reactie. Het doet ons wat! Een goede viering echter is altijd een viering, die vanuit de subjectieve beleving en de objectieve benadering een meer dan ruime voldoende scoort. Het moge duidelijk zijn dat liturgiecatechese brood en brood nodig is en blijft!

Deze uit het leven gegrepen discussie brengt mij bij de vraag waarom wij naar mijn mening er tot op heden niet of onvoldoende in geslaagd zijn de eucharistie werkelijk bron van het kerkelijk leven te doen zijn, waarover de constitutie over de heilige liturgie van Vaticanum II zo indringend schrijft. Ondanks alle fraaie maar dikwijls veel te weinig spirituele teksten, nota's en artikelen, die verschenen zijn en nog steeds verschijnen. Ik noem hier als een van de uitzonderingen het zeer inspirerende boek van Timothy Radcliffe, de vroegere magister-generaal van de dominicanen getiteld: Why go to church? - the drama of the eucharist (2009).

 

De radicaliteit van de eucharistie

Ik geef een voorbeeld. In een Eucharistievering worden na de Dienst van het Woord aan het begin van de Dienst van de Eucharistie of de Dienst van de Tafel de gaven van brood en wijn aangedragen en vervolgens door de priester klaargemaakt. Bij de bereiding van deze gaven bidt de priester:

Gezegend zijt Gij, God van alwat leeft.

Uit uw milde hand hebben wij het brood ontvangen.

Aan U dragen wij op de vrucht van de aarde, het werk van onze handen.

Maak het voor ons tot brood van eeuwig leven.

Gezegend zijt Gij, God van alwat leeft.

Uit uw milde hand hebben wij de beker ontvangen.

Aan U dragen wij op de vrucht van de wijngaard, het werk van onze handen.

Maak het voor ons tot bron van eeuwig leven.

Het gebed is een combinatie van het birkat ha mazon, de joodse tafelzegen, die God looft om zijn scheppingsgaven en de idee van de menselijke arbeid waardoor de gaven tot stand komen. De wortels ervan vinden wij in een tekst uit Deuteronomium 26, vers 1 – 11 waarin Mozes zijn volk voorhoudt wat zij moeten bidden als zij de eerste gaven van het nieuwe van God gekregen land aan God aanbieden. In deze tekst lezen wij onder andere: Mozes sprak: "Als de priester de mand in ontvangst heeft genomen en die voor het altaar van de Heer, uw God, heeft neergezet, moet u het volgende voor de Heer belijden:....En de Heer bevrijdde ons uit Egypte, met sterke hand en opgeheven arm, op angstaanjagende wijze, met tekenen en wonderen. Hij bracht ons hierheen en gaf ons dit land, dat overvloeit van melk en honing. Heer, hierbij breng ik u de eerste opbrengst van het land dat u mij gegeven hebt".

Het is een wat verwaarloosd gebed. Vooral wanneer het niet verstaanbaar voor de gelovigen wordt gebeden. Terwijl het toch zo'n radicaal zelfs politiek gebed is. Waarom? In de tekst wordt duidelijk gemaakt van wie de aarde is en al wat er op leeft: van God. Wij mensen mogen op zijn aarde wonen, leven en gebruik maken van al het goede wat de aarde aan vruchten geeft. Alles wat wij menen te hebben, "hebben" wij dus niet, maar hebben wij slechts gekregen van God. Dat houdt ook in dat wij niets voor onszelf alleen mogen houden. Wij moeten van alles wat God ons geeft delen met wie niet of minder heeft. Het bovenstaande gebed is eigenlijk een gebed, dat de hele economische orde of beter wanorde op onze aarde onder kritiek stelt. Om de radicale inhoud van dit gebed te onderstrepen en duidelijk te maken aan alle gelovigen heb ik daarover een lied geschreven. Het lied kan gezongen worden door het koor en de gemeenschap wanneer de gaven van brood en wijn worden aangedragen, door de priester op de tafel worden gezet en vervolgens klaargemaakt om de eucharistie te kunnen vieren. Misschien kunnen we dat lied straks gaan zingen.

Het heiligen door God van alledaagse dingen wordt nog eens onderstreept door het Sanctus, het heilig, heilig, dat wij natuurlijk altijd en overal van harte meezingen en niet overlaten aan het koor al zingt dat nog zo mooi.

Worden wij dan niet ook opgeroepen om heiligen te worden? Want werden de eerste christenen niet zo genoemd? Niet omdat we geen gebreken kennen, maar omdat God ons een opdracht geeft al het onheilige op deze wereld in zijn licht te plaatsen. Te heiligen. Te transformeren. Te transsubstantiëren.

 

Oranje - pastor Paul Vlaar te Obdam, waar de kerk altijd vol zit met jongelui, probeerde de nationale voetbalgekte te heiligen. Hij slaagde er niet zo goed in. Het kwam hem helaas - was het nodig? - op een schorsing te staan. Maar Antoine Bodar had geen gelijk met zijn commentaar op dit gebeuren onlangs in de uitzending van Kruispunt op 23 september j.l.. Ook Bodar vloog uit de bocht toen hij riep: heilig is heilig! Daar moet je vanaf blijven! Vervolgens kregen we beelden te zien van een viering in Rome, waar Bodar in voorging. Ik hoorde de parochianen van Obdam mompelen bij deze beelden: wat saai! Geef ons dan maar pastoor Paul met zijn Oranjemis! Het gaat niet om heilig, sacraal is sacraal en profaan is profaan en daarmee uit! Nee, het gaat in de liturgie van God gegeven om het heiligen van het alledaagse. Friezen zouden zeggen: Dat Jins namme wird hillige! Het gaat dikwijls om het heiligen van het schijnbaar alledaagse. En niet alleen van brood en wijn. Als wijzelf niet méé veranderen, verandert alléén brood en wijn! zei de Bredase voorzitter van het Gilde van het heilig Sacrament van Nievaert in het Katholiek Nieuwsblad (28 mei 2010). Een wijze en terechte uitspraak van een "gewone"gelovige!

 

Houd ik nu een pleidooi om voortaan nog betere eucharistievieringen te vieren in plaats van al die woord- en communievieringen? Geenszins. Wel pleit ik er voor om de eucharistieviering meer te laten worden tot wat zij dient te zijn: een revolutionaire transformatie van allen en alles wat er aan deelneemt. Zeg maar met Johann Baptist Metz: een subversieve memoria Christi.

 

Het belang van de communie

Daarom sta ik nog even stil bij de behartenswaardige woorden van Gerard Rouwhorst in zijn artikel De communie als culminatiepunt van de eucharistieviering (TvL nr.4 - juli 2010).

De communie heeft een grote ecclesiale dimensie, zo stelt hij. Vader Augustinus, zo weten wij, leert ons: word wat je eet: Lichaam van Christus en eet wat je bent: Lichaam van Christus! Augustinus achterna schrijft Rouwhorst: gelovigen zijn het Lichaam van Christus en moeten het ook worden! Hij beschrijft vervolgens hoe het accent in de loop der eeuwen gaat verschuiven. Was voor Augustinus en de zijnen allereerst de Kerk het Lichaam van Christus, in de 9de / 10de eeuw worden vooral de geconsacreerde gaven zo genoemd. De individuele vroomheid groeide. Te communie gaan werd een persoonlijke geloofsdaad. Dat bleef eeuwenlang zo. In de 20ste eeuw werd echter de Kerk als lichaam van Christus herontdekt. Lees Yves Congar er nog maar eens op na! Niet de consecratie, maar de communie is het culminatiepunt van de eucharistieviering, stelt Rouwhorst. Ik voeg er aan toe: als je belt tijdens de eucharistieviering dan zou je dus moeten bellen bij de communie! Tijdens de communie wordt het duidelijkst zichtbaar dat de gelovigen niet alleen het Lichaam van Christus nuttigen maar er ook daadwerkelijk deel van uitmaken, dat zij dus dat Lichaam zijn! Wanneer dit juist is, zo besluit hij, dan betekent dit dat de woord- en communievieringen, los van de vragen die ze uiteraard blijven oproepen, een positieve functie kunnen vervullen. Tijdens deze vieringen kán op een bijzondere manier zichtbaar worden wat ook tijdens een eucharistieviering zichtbaar wordt of zou moeten worden: dat de kerk, ook de locale kerk, deel krijgt aan het Lichaam van Christus, het Lichaam van Christus is!

 

Tot slot.

De woord- en communieviering: een onding of een pastorale noodzaak? Ik houd het op het laatste, want het fenomeen is niet het resultaat van het gedram van pastorale werkers/-sters, diakens of parochiële voorgangers, die zo nodig óók willen voorgaan of van luie gelovigen die hun dorp niet uitwillen, maar van een gebrek aan voorgangers in de eucharistie, terwijl de geloofsgemeenschappen omwille van hun voortbestaan wél willen blijven vieren. Zolang dat gebrek blijft, zullen wij er blijmoedig mee moeten leren leven. Laten wij echter wel van deze "nood" een deugd proberen te maken. Als we vieren laten we dan góed vieren vol nieuwe creativiteit, actieve participatie en een aanspreekbare inhoud vol kwaliteit! Want geldt voor liturgie ook niet net als met voetbal en de bakker op de hoek....kwaliteit is onze reclame!

 

Drs. Ko Schuurmans (1947), pastor - pastoraal werker.

Na gewerkt te hebben in het onderwijs en het basispastoraat is hij sinds 1985 verbonden aan de Pastorale Dienstverlening van het rk bisdom van Haarlem - Amsterdam, waar hij verantwoordelijk is voor liturgie, bijbel pastoraat en coördinatie.

Daarnaast is hij docent liturgie aan de theologieopleiding van de Fontyshogeschool te Utrecht.

Hij gaat veelvuldig voor o.a. in woord- en communievieringen.

Hij publiceert in een aantal (liturgische) bladen en schrijft ook liturgische teksten en liederen.

    Plaats reactie

    Kijk eens bij:
    Free business joomla templates