U bevindt zich hier: HomeVPW Haarlem-Amsterdam

Reactie Nico van der Peet op van der Mey

Nico van der Peet, reactie op het referaat van Jaap van der Mey n.a.v. ‘Meewerken aan het dienstwerk van Christus’

 

Jan van Diepen heeft mij gevraagd te reageren op het paper ‘Meewerken aan het dienstwerk van Christus’ vanuit mijn praktijk, vanuit het priester – zijn en vanuit de theologie. Aangezien Jaap van der Mey nogal behartenswaardige zaken naar voren heeft gebracht vanuit de theologie, waar ik mij goed in kan vinden, zal ik me bijna geheel beperken tot een reactie vanuit mijn praktijk en mijn priester – zijn.

 

Praktijk en zijn

Als het goed is liggen die niet ver uit elkaar. Daarom heb ik moeite met een uitdrukking als “beroep van basispastor” (zie pag. 1, regel 1). Wie werk maakt van zijn doopsel, vormsel en deelname aan de eucharistische gemeenschap, - van zijn christelijke initiatie dus, spreekt en voelt beter op een ander niveau, namelijk dat van officium/ministerium, in navolging van Christus.

Een ander bezwaar: het spreken over ‘gewone leken’ (pag. 3, no. 3.2). Die bestaan niet.

Leek komt van ‘laikos’, geïnitieerd lid van de laos/het volk van God, lichaam van Christus, geroepen en gezonden om lid te zijn van een priesterlijk volk.

Voortbouwend op zijn doopsel heeft de man die de priesterwijding heeft ontvangen geen bijzonder status (in dat kader werd gesproken over gewone leek), maar een ministerium te vervullen, dat volgens oeroud katholiek (en orthodox) verstaan, het leven en zelfs de persoon van de priester tekent, karakteriseert.

 

Priester - zijn

In 1988 werd ik benoemd tot pastoraal werker in de Sint Bavoparochie te Haarlem. Op 8 september 1990 werd ik tot priester gewijd, samen met twee anderen: Han Snel en Piet Lindner, zaliger gedachtenis. Beiden zijn te vroeg overleden.

Mijn visie op – en beleving van het priester-zijn zijn die jaren niet wezenlijk veranderd.

Wat moet een priester doen? vroeg mij een journaliste bij een interview voor een Amsterdams Stadsblad in 2004. Ik liet me uit mijn mond vallen: “een beetje bidden en een beetje lezen”. Die woorden plaatste zij met veel plezier boven het verhaal in de krant, tot vermaak van de meeste parochianen die mij al jaren kenden en tot schrik van sommige collega’s. Natuurlijk is dat te kort door de bocht. Wat ik bedoel is: priester – zijn, en als het goed is elke vorm van pastor-zijn, heeft mijns inziens een mystiek fundament: door gebed en studie je verdiepen in de persoon van Christus en zijn dienstwerk. Het is een engagement, een vorm van gehuwd zijn. Anders zou – voor de priesters - het celibaat leeg zijn, een koude ascetische maatregel. Mijn visie en beleving zijn in bijna twintig jaar dezelfde gebleven.

 

De priester heeft geen aparte status. Hij moet pogen te lijken op Christus, zich door Hem laten tekenen, steeds meer.

Dat staat natuurlijk haaks op onze cultuur, op de laat – postmoderne tijd die wij beleven. Maar dat is niet erg. Steeds meer mensen leven alleen, of zelfs geïsoleerd, jongeren, gescheidenen, bejaarden en hoog-bejaarden. Je kunt je celibaat ook beleven als een solidair zijn met hen, in wie Christus, die alleen voorttrok, aan het licht komt en gediend wil worden.

De huidige paus lijkt deze maatschappelijk wat onaangepaste leefstijl te propageren door juist het buitenbeentje Jean Marie Vianney, die enerzijds niet mee kon komen met de moderne tijd en anderzijds een grote intuïtie had voor het leed van mensen die gebukt gingen onder de leegheid van dit modernisme, - voor te houden als een groot ideaal voor het huidige priesterschap.

 

Wat ook gezegd moet worden:

Natuurlijk bestaat er in onze dagen een groot gevaar van neo-clericalisering. Er is een nieuwe generatie priesters opgestaan waarvan sommigen zich clericaal gedragen, een aparte status beleven die ik niet van harte begroet. Zij reageren bewust of onbewust tegen de wat bleke identiteit van het priesterschap die weer sommige andere priesters lijkt te kenmerken, een veelal oudere generatie. Ik ben er een voorstander van hiervan niet wakker te liggen. We zijn onderweg naar een nieuwe balans. Ook al bestaat het gevaar dat sommigen hun priesterschap te clericaal beleven en meer ruimte wensen in te nemen dan goed is voor henzelf, voor leken-collega’s en voor parochianen.

Wat mijns inziens ook gezegd moet worden: ook bij (opnieuw) sommige p.w. is er sprake van een zekere clericalisering, die overigens – zoals Jaap al naar voren bracht – mede veroorzaakt is door het beleid van een vorige generatie bisschoppen, die in afwijking van hun buitenlandse collega’s, de p.w. welhaast priesterlijke taken gaven.

Beide genoemde vormen van clericalisering moeten mijns inziens overwonnen worden. Dat vraagt tijd, enig onderling begrip en geduld. Maar het lijkt me nodig wel samen het doel te stellen hier overheen te groeien.

 

De praktijk

Mijn visie op – en beleving van het priesterschap zijn niet veranderd. Wél de praktijk daarvan. Uiteraard is die voor allen aan het veranderen of is die al fundamenteel veranderd: voor de parochianen, de pastoraal werkers, de diakens en de priesters.

Mag ik eens bij mezelf beginnen, zonder het grote perspectief te verliezen.

Van 1992 tot najaar 2004 was ik parochiepriester, pastoor in Amsterdam – Osdorp, de Sint Lucasparochie, een heerlijke tijd. Een betrekkelijk bloeiende gemeenschap, die uiteraard niet ontkwam aan vergrijzing, enige getalsmatige terugloop, maar toch ook enige opbloei vertoonde. Elke zondag stond ik aan hetzelfde altaar. Ik voelde me hiermee uiterst gelukkig. Je leert welhaast iedereen kennen. Het ideaal bestaat niet in deze wereld, maar ik zat er niet ver vanaf.

Einde 2003 vroeg de bisschop mij – na ruim 12 jaar Osdorp - tot driemaal toe pastoor/regioleider te willen worden in Amsterdam – Noord: zes voormalige parochiegemeenschappen die gefuseerd waren tot één parochie, die was onderverdeeld in vijf geloofsgemeenschappen: vijf kerkgebouwen. (Ik had bedacht: als hij mij driemaal vraagt dan meent hij het. En zo geschiedde. Geen kadavergehoorzaamheid. Er viel goed te praten en hij luisterde naar mijn vragen en aarzelingen. Maar hij gedroeg zich als bisschop en hakte de knoop door.)

Het was een moeilijke stap. Van een sedentaire spin in het web werd ik reiziger/pelgrim. Ik mocht aanschuiven bij gemeenschappen die zichzelf konden redden, alles voorbereidde, alles al eens hadden meegemaakt. Eigenlijk moest ik mijzelf als pastor opnieuw uitvinden.

 

Als ik het bisschoppelijk beleid goed begrijp zal ook de p.w. steeds minder sedentair zijn als pastor voor één parochiegemeenschap. Zij gaan delen in hetzelfde lot/nieuwe bestemming als de priester.

Dit is geen nieuwe situatie. De katholieke traditie is nooit congregationalistisch geweest, ook al willen sommigen wel die kant uit en ook al kon het ruim 150 jaar zo lijken, als gevolg van een overvloed aan priesters, uitvloeisel van de opbloei van het katholicisme in ons land vanaf het begin de katholieke emancipatie.

 

Nog even terug naar mijn persoonlijke geschiedenis en optiek.

Ook buiten de kerkmuren was alles anders. Voorheen werkte ik in een betrekkelijk homogene wijk. Nu in een ruim tweemaal zo groot gebied (van 38.000 naar 90.000 zielen): welgestelde én relatief straatarme wijken. Veel autochtone kansarmen en veel migranten. Groepen die vrijwel langs elkaar heen leven. Bij de witten onvoorstelbare secularisatie. Bij alle andere groepen veel godsdienstigheid.

 

Enerzijds kreeg ik het steeds drukker, moest ik geestelijk steeds elastischer worden. Anderzijds dreef deze veelheid en verscheidenheid mij meer naar binnen, naar de stilte. Dat was niet bedacht en gepland. Terugkijkend denk ik: het gebeurde, om mezelf niet te verliezen, mijn enthousiasme en band met Christus niet kwijt te raken.

Als priester – meen ik - moet ik mijn identiteit meer dan tevoren bewaken en intensiveren. Niet om de baas te spelen, maar om die eigenheid aan te bieden, een rol te laten spelen in de parochie en – van even groot belang – in een stadsdeel waar het spannend is, ook godsdienstig.

 

De parochie is niet rijk. De ons door het bisdom toegestane formatie kunnen wij niet betalen. Er is naast mij een halftime diaken en een fulltime coördinator. Vanuit mijn aanvoelen is het van het grootste belang dat zij beiden hun eigen identiteit uitwerken en dat zij zich niet gedragen als priester.

Enkele jaren eerder was er een p.w. Hij wilde geen betaalde altarboy zijn, zoals hij het zelf uitdrukte. Ik vroeg hem wel regelmatig zichtbaar aanwezig te zijn in de eucharistie en een rol op zich te nemen. Hij ging af en toe voor in woord en gebedsdiensten bij uitvaarten, in de dagelijkse viering om 12 uur. Maar verder was hij – terugziende – toch vooral en met verve didaskalos zoals ‘Meewerken in het pastoraat’ het zo mooi beschrijft.

 

Citaat

Kenmerkend voor hun (van de p.w.) taak is een toeleidend karakter ten opzichte van het hart van het kerkelijk leven: de viering van Woord en Sacrament, vooral van de Eucharistie…Concreet richten zij zich in hun pastoraal werk op begeleiding van gelovigen, op opbouw van de gemeenschap, op catechetische en diaconale vorming en toerusting…

Hun functie doet denken aan die van de didaskalos, de leraar in de oude kerk. Dit wijst erop dat de p.w. in de oudste traditie van de Kerk geplaatst kan worden. De positie en de taak van de p.w. in de Kerk zijn volstrekt serieus te nemen. Tijdens zijn bezoek aan Nederland in mei 1985 onderstreepte paus JPII het belang van hun taak, “vooral in een wereld, die steeds meer ontkerstend en geseculariseerd wordt” (no. 34 en 35).

 

Vanuit mijn ervaring en beleving zou ik menen, dat de priester weer meer priester moet worden: man van de liturgie, het gebed, de bediening van woord en sacrament; het verzoenende, vertrouwelijke, geestelijke gesprek; het gezicht van de kerk naar de andere kerken en godsdiensten en een beetje bestuurder: op regionaal niveau af en toe – niet te vroeg en niet te laat - eens een knoop doorhakken. De priester moet back to basics.

De p.w.moet natuurlijk elementen van dit alles ook doen, maar hij/zij moet vooral didaskalos, leraar/catecheet zijn. Vanuit zijn/haar leek – zijn  en (vaak) gehuwd-zijn kan hij/zij menigmaal pastoraal dichterbij mensen staan dan de alleen-levende priester kan. Ook de pastoraal werker/ster back to basics of misschien beter: eindelijk bevrijd van zijn/haar semi-clericale profiel naar een krachtig, eigen profiel.

 

De eucharistie

Het paper wijst erop dat het bisschoppelijk beleid grote nadruk legt op de eucharistie en dat als gevolg hiervan de positiestrijd tussen priesters en pastoraal werkers wordt versterkt en echte vragen van deze tijd  niet worden aangepakt (zie pag. 2 en 3). Persoonlijk vind ik deze observatie onduidelijk. Wat bedoelt men met de ‘echte vragen’?

En: het kan toch geen nieuwe gedachte gevonden worden dat de eucharistie bron en hoogtepunt van de kerk zelf is? Dat is centrale leer, ook en vooral tijdens Vaticanum II, dat hier een correctie is op de gegroeide praktijk die erin bestond: als ik de communie maar heb ontvangen, dan heb ik mijn individuele heilsmiddel gehad.

Het Concilie wilde daarentegen Gods hele volk terugvoeren naar de viering van het integrale Christusmysterie, dat de eucharistie tegenwoordig stelt.

Het lijkt mij voor de VPW theologisch en pastoraal gezien een onvruchtbare weg de positie van p.w. te stellen tegenover de eucharistiepraktijk. Christus, zijn levensmysterie en zijn dienstwerk moeten – zoals terecht is opgemerkt – centraal staan en niet de positie van de priester of de pastoraal werker/ster.

We zouden kunnen proberen met onze onderscheiden officia en ministeria Christus centraal te stellen, Hem te zoeken en tegenwoordig te stellen.

Bisschop en priesterraad

Jan van Diepen vroeg mij per mail hoe de VPW met de bisschop en de priesterraad hierover verder kunnen spreken.

Ik sluit me aan bij wat Jaap heeft gezegd: gewoon gaan praten, als individuele pastoraal werker/ster en bijvoorbeeld als bestuur van de VPW. Naar mijn stellige indruk is ook de bisschop zoekende. Hij wenst de eucharistie in het middelpunt te stellen van het parochieleven. Dat lijkt me vanuit de katholieke theologie en leer onaanvechtbaar. Andere vormen van liturgie kunnen die niet vervangen (wel aanvullen). Nogmaals we kunnen elkaar vinden als we samen zoeken naar het gelaat van Christus, in de liturgie, het pastoraat en het leven.

 

Voor zover ik zien kan, is de bisschop gevoelig voor de inzet van p.w., maar wenst hij op geen enkele wijze meer de vechtsfeer rond ambten en rond liturgie die wij gekend hebben.

Ik ben er zeker van dat de agendacommissie van de priesterraad er aan wil meewerken om over de vragen van het paper in gesprek te gaan. Het lijkt mij te moeten gaan over de transformatie van zowel het ministerium van de priesters en diakens als van het officium van de p.w.

 

Ik zou er sterk voor pleiten duidelijk te maken dat wij gezamenlijk uitgaan van het katholieke kerkmodel, waarin de diocesane gemeenschap de eerste verschijningsvorm van de kerk van Christus is. Hierboven heb ik al aangegeven dat het een pijnlijk proces is de parochievorm zoals wij die kenden, in de tijden van vele priesters en de vele kerkgangers, moeten prijsgeven. Maar wij zullen moeten proberen met vallen en opstaan nieuwe wegen te gaan, ook al zal menigeen dit vooralsnog hoofdschuddend doen. Wij kunnen in dit opzicht niet conservatief zijn, want dan verspillen wij onze krachten aan vormen die geen toekomst meer hebben.

    Plaats reactie

    Kijk eens bij:
    Free business joomla templates