Inspireren tot participatie
Inleiding van A. de Jong voor de V.P.W. d.d. 4 juni 2009
Toch leek het de organisatoren van deze algemene ledenvergadering van de V.P.W. terecht interessant om er het inhoudelijke deel van deze dag aan te besteden vanuit de vraag wat ook pastores zouden kunnen hebben aan de onderzoeksresultaten als het gaat om inspirerend leiderschap. Daarvoor zal ik eerst nader toelichten wat het onderzoek als zodanig inhield. Vervolgens geef ik een korte reflectie op enkele hoofdpunten van het onderzoek om tenslotte ga ik iets nader in op de mogelijke relevantie van dit onderzoek voor pastores.
-
Het onderzoek als zodanig
-
Aanleiding en opzet
-
Het onderzoek is gedaan in opdracht van de Nederlandse Katholieke Schoolraad (NKSR) ter gelegenheid van haar 40-jarig jubileum. En de aanleiding tot de themakeuze was het gegeven, dat men de laatste tijd de katholiciteit van katholieke scholen steeds uitdrukkelijker zoekt in de inspiratie die er in doorwerkt of althans geacht wordt in door te werken. Men wilde wel eens preciezer laten nagaan in hoeverre dat werkelijk (nog) het geval is in Nederland. Bij de nadere toespitsing van die kwestie hebben we er niet voor gekozen om het onderzoek te richten op de vraag of katholieke inspiratie-bronnen nog voldoende aan bod komen op katholieke scholen, maar of, c.q. in hoeverre bepaalde school-activiteiten, docenten en symbolen op die scholen feitelijk een inspirerend effect hebben op de leerlingen en waar dat mogelijk nog meer door beïnvloed wordt. Daarbij vroegen we ons af of vraag en aanbod op dit punt (nog) voldoende op elkaar aansluiten. Bij de uitwerking van die vraag beschouwden we de ouders (althans in het primair onderwijs) en leerlingen zelf (althans in het secundair onderwijs) als de vragers en de leraren als de aanbieders. Daarom besloten we een vragenlijstonderzoek te doen bij vier doelgroepen, namelijk de ouders (1) en leerkrachten (2) van katholieke basisscholen en de leerlingen (3) en leraren (4) van katholieke scholen voor voortgezet onderwijs. En in die vragenlijsten wilden we niet alleen vragen wat volgens hen feitelijk inspirerend werkte, maar ook wat zij wenselijk vonden op het punt van inspiratie.
-
Theoretisch kader
-
Nu is inspiratie een lastige notie. Het wordt te pas en te onpas gebruikt zonder dat precies duidelijk is wat men er mee bedoelt. Als je echter empirisch onderzoek wil doen, waarin dit begrip centraal staat, moet je wel zorgvuldig bepalen wat je er onder verstaat. Dat heeft ons de nodige hoofdbrekens gekost. Tenslotte kwamen we tot de conclusie, dat de volgende drie punten daarbij doorslaggevend zijn en van bijzonder belang waren voor ons onderzoek. Ten eerste is inspiratie een vorm van geestelijke veroorzaking en daarom niet te plannen. Van inspiratie kan slechts sprake zijn als er een veroorzaker is (de inspiratiebron) en een gevolg (het inspiratie-effect). DE katholieke of christelijke of bijbels inspiratie bestaat dus nooit op zich, maar is altijd een veroorzakende invloed van een bron op iemand (-s geest). En omdat dit geen oorzaak-gevolg-relatie is, die wetmatigheden volgt zoals in de natuur, is inspiratie in strikte zin onvoorspelbaar en niet te plannen. Dat is op zich al belangrijk, zeker in verband met onderzoek. Er zijn dan namelijk hooguit planbare regelmatigheden te ontdekken in verband met inspiratie, maar nooit wetmatigheden in natuurwetenschappelijke zin. Daar komt een tweede punt bij. Inspireren is een activiteit, waarvoor ook geen regels bestaan, omdat mogelijk inspirerende handelingen bij de ene mens wel een inspirerend effect kan hebben terwijl het bij anderen helemaal niet inspirerend werkt. In dat opzicht lijkt inspireren op andere zogeheten perlocutionaire handelingen zoals iemand overtuigen, iemand troosten of iemand blij maken. Dat zijn geen illocutionaire handelingen zoals vragen, beloven of groeten, waarvan het slagen slechts afhangt van het volgen van regels, die er nu eenmaal voor gelden. Maar of iemand overtuigd, getroost of blij gemaakt wordt door (per-) wat anderen in woorden (illocutionair) beloven, vragen of doen hangt in belangrijke mate tevens af van diens voorgeschiedenis, vooroordelen, stemming etc. Dat geldt ook voor inspiratie. Inspireren is een perlocutionaire communicatieve handeling, geen illocutionaire. Dat is een belangrijk punt, als het gaat om de inspiratie, die van katholieke scholen uit kan gaan of volgens sommigen uit moet gaan. Die is namelijk niet alleen onvoorspelbaar en niet te plannen, maar er bestaan ook geen regels voor die je maar hoeft te volgen om te inspireren. Inspiratie is zeer persoonlijk, niet alleen wat betreft de inspiratiebron, maar vooral ook wat betreft het inspiratie-effect. Dat geldt dus ook niet alleen voor katholieke scholen, maar ook voor inspirerend leiderschap van pastores. Er is evenwel nog een derde punt van groot belang voor inspiratie als zodanig en voor het onderzoek daarnaar. Dat is het gegeven, dat inspiratie de motivatie inhoudt om op een soortgelijke manier te handelen als waartoe de inspiratiebron een richtlijn biedt, en wel door de excellentie, die in de bron ervaren wordt. In die zin is inspiratie dus altijd een normatieve notie. Het richt het handelen en is er een drijfveer voor vanwege de uitmuntende eigenschappen, die men waarneemt in de inspiratiebron en die men wil navolgen, zij het op eigen wijze.
Als mensen nu inspiratie in deze zin toeschrijven aan katholieke scholen (of aan pastores) wat doen ze dan precies? Wat houdt toeschrijven eigenlijk in? Het lijkt misschien spijkers op laag water zoeken om daar bijzondere aandacht aan te besteden. Toch leek het ons nodig om dat vooraf goed vast te stellen. Vaak wordt toeschrijven namelijk ten onrechte opgevat als aanduiden van iets op een bepaalde manier of als aanduiden van iets bepaalds, namelijk van een abstract begrip. Volgens die opvatting zou bijvoorbeeld in de uitspraak ‘Jan heeft kanker’ met de naam ‘Jan’ een concreet persoon aangeduid worden en zou de toeschrijving ‘heeft kanker’ de aanduiding zijn van een bepaalde ziekte. Zo zou in de uitspraak ‘katholieke scholen inspireren’ de soortnaam ‘katholieke scholen’ een bepaalde groep onderwijsinstellingen aanduiden. En de toeschrijving ‘inspireren’ zou dan de aanduiding zijn van een bepaalde oorzaak-gevolg-relatie. Dat is echter een misvatting. Toeschrijvingen zijn geen aanduidingen. Met aanduidingen zoals (soort-)namen geef je te kennen over wie of wat je iets wil zeggen, beweren, vragen etc. Maar met toeschrijvingen druk je uit, wat je over die persoon, dat ding of dat object wil beweren, vragen etc. Een aanduiding deugt (heeft betekenis) als die persoon of dat object bestaat in de werkelijkheid of in de fantasie van mensen. Zo hebben de woorden ‘katholieke scholen’ of ‘pastores’ in de bewering ‘katholieke scholen en pastores (moeten) inspireren’ alleen maar betekenis als er zulk soort onderwijsinstellingen en functionarissen bestaan. De toeschrijving dat ze inspireren of moeten inspireren duidt echter geen bestaande werkelijkheid aan, zelfs geen fictief bestaande, maar roept slechts de vraag op of het waar is of niet, c.q. of het waar moet zijn of niet. Dat hield een belangrijke restrictie in voor ons onderzoek. Daarom hebben we namelijk niet onderzocht of katholieke scholen daadwerkelijk de leerlingen inspireren, maar of en hoe ze dat doen en zouden moeten doen volgens betrokken ouders, leerlingen en leraren. In die zin hebben we niet de werkelijkheid, die aan inspiratie of aan de toeschrijving van inspiratie beantwoordt, onderzocht, maar de toeschrijving als zodanig. De vraag was niet of leraren en bepaalde activiteiten op katholieke scholen werkelijk de leerlingen inspireren, maar of en hoe dat gebeurt volgens de direct betrokkenen.
Daarbij hebben we tevens willen nagaan in hoeverre die toeschrijving van inspiratie gebeurt onder invloed van secularisatie, modernisering en individualisering. Dat leken ons de drie meest relevante context-factoren daarvoor. De verwereldlijking van zingeving in onze cultuur zou namelijk wel eens tot gevolg kunnen hebben, dat veel mensen die inspiratie weinig of geen religieuze inhoud meer geven. De modernisering van betekenis houdt in, dat mensen gebeurtenissen en situaties vooral beoordelen op hun waarde voor nu en bijvoorbeeld niet of veel minder verstaan in het licht van langer lopende historische processen, dus noch in het licht van verleden en traditie, noch met het oog op toekomst (-verwachting en -planning). Dat leidt er wellicht toe, dat men mogelijke inspiratiebronnen minder geneigd is te zoeken in de (katholieke) traditie uit een verder verleden (bijvoorbeeld heiligen van vroeger) en dat men de inspiratie-effecten niet zozeer pleegt te zoeken in veranderde invullingen van christelijk leven en katholiciteit (bijvoorbeeld van scholen). Als derde factor zou ook de hedendaagse individualisering van waarheid en succes wel eens zeer grote invloed kunnen uitoefenen op de toeschrijving van inspiratie aan katholieke scholen. Dat geldt vooral voor de zogeheten deïnstitutionalisering, die daarmee gepaard gaat. Naarmate mensen minder waarde hechten aan en vertrouwen hebben in instituties en meer letten op het slagen van particuliere strevingen of op de waarheid van persoonlijke overtuigingen hebben ze waarschijnlijk minder oog voor collectief (bijvoorbeeld kerkelijk) goedgekeurde, erkende of geprefereerde inspiratiebronnen en zullen ze eerder kijken naar zeer persoonlijke inspiratie-effecten.
-
Uitvoering en resultaten
-
Om hier langs meer empirische weg achter te komen hebben we een vragenlijst samengesteld, waarin voor al die punten een aantal indicatieve vragen zijn gesteld. Deze lijst is in het voorjaar van 2006 voorgelegd aan 1179 respondenten. Hiervan bleek 34 % man en 66 % vrouw. De jongste respondent was 13 jaar en de oudste 63, de gemiddelde leeftijd was 33 jaar. Van de respondenten beschrijft 57 % zichzelf als katholiek, 4% geeft aan te behoren tot één van de protestantse kerken, 3% zegt islamitisch te zijn, 31 % geeft niet aan zich tot een enkele kerkelijke gezindte te rekenen, en 5% rekent zich tot een andere religie (zoals hindoeïsme, boeddhisme of anderszins). De respondenten voor het basisonderwijs waren afkomstig van 39 basisscholen verspreid over heel Nederland. Het totaal aantal respondenten voor het basisonderwijs bedroeg 581 personen, waarvan 307 ouder zijn van een kind in groep 5 en 274 als leerkracht werken. In beide groepen is de meerderheid vrouw; van de ouders 87 %, van de leerkrachten 80 %. De gemiddelde leeftijd van ouders en leerkrachten is respectievelijk 40 en 43 jaar. De respondenten voor het voortgezet onderwijs zijn afkomstig van 12 verschillende scholen door heel Nederland. Beide groepen respondenten in het voortgezet onderwijs bestaan samen uit 598 personen, waarvan 432 leerlingen en 166 docenten. Van de leerlingen is 48 % man en 52 % vrouw, bij de docenten is 57 % man en 43 % vrouw. De gemiddelde leeftijd van leerlingen en docenten is respectievelijk 16 en 46 jaar. Verder is opmerkelijk, dat 38% van de leerlingen in deze katholieke scholen voor voortgezet onderwijs van zichzelf zeggen, dat ze ‘katholiek’zijn.
Als we nu kijken naar de activiteiten op school, die de respondenten inspirerend achten blijkt het volgende. Het hoogst scoren vieringen en gebed. Met uitzondering van kerstvieringen vind men ook dat de genoemde vieringen (pasen, suikerfeest, vieringen van niet-christelijke godsdiensten, dagopeningen, jaaropeningen en vieringen bij overlijden) meer plaats zouden mogen vinden dan feitelijk gebeurt. Dat geldt eveneens voor vormen van gebed. Ook de behandeling van maatschappelijke en ethische onderwerpen vindt men in het algemeen wel inspirerend. Dat geldt het meest voor discriminatie en (zinloos) geweld en minder voor bijvoorbeeld vasten. Maar ‘christelijke tradities’ in het algemeen scoort toch nog vrij hoog. Hier blijken overigens feiten en wensen aardig parallel te lopen. Ook kunst, cultuur, sport en reizen doen het goed als het om inspirerende schoolactiviteiten gaat. Maar veel minder is dat het geval bij de behandeling van bijbelteksten. Daarbij is het wel opmerkelijk, dat mensen, die de band tussen school en kerk van groot belang vinden, ook de aandacht voor bijbelteksten zeer wenselijk achten.
Als het nu gaat om de vraag wat leraren inspirerend maakt voor de leerlingen en waartoe ze dan inspireren blijkt vooral het volgende. Het meest inspireren leraren door hun vakinhoudelijke en pedagogisch-didactische kwaliteiten. Leraren die gewoon goed les geven kunnen dus het meest inspireren. Leerkrachten die leerlingen laten delen in hun vakinhoudelijke kennis blijken hen vooral uit te nodigen tot het verwerven van meer kennis en inzicht. Daarnaast hebben we geconstateerd dat leerkrachten die aandacht hebben voor vooral zwakke leerlingen alle leerlingen uitdagen om zowel sociale deugden als spiritualiteit en transcendentie te ontwikkelen. Ten slotte is vastgesteld dat leraren die zingeving ter sprake brengen, leerlingen niet alleen aanzetten om spiritualiteit en transcendentie, maar ook sociale deugden, en kennis en inzicht te ontwikkelen. Anders gezegd blijken leraren die leerlingen laten delen in hun kijk op de zin van het leven, deze leerlingen aan te kunnen zetten om diverse, dus ook andere (bijvoorbeeld sociale) kwaliteiten te ontwikkelen.
Een derde groep bevindingen betreft het vak godsdienst/levensbeschouwing. De meeste respondenten vinden, dat dit vak niet alleen een informerend karakter moet hebben, maar ook uitdrukkelijk vorming moet beogen. En dit vormende karakter kwalificeren zij inhoudelijk door zowel een christelijk als een multireligieus perspectief. Het is opvallend, dat men dat christelijke en multireligieuze perspectief niet tegen elkaar laat uitspelen, maar juist wil laten samengaan. Betrokkenen vinden blijkbaar vooral die invulling van het vak godsdienst/levensbeschouwing die leerlingen de mogelijkheid biedt ervaringen en situaties te leren begrijpen vanuit verschillende religies wenselijk. Wel vinden ze dat de eigen levensbeschouwelijke overtuiging deze vorming sterk bevordert.
-
Reflectie op het onderzoek
Wat kunnen deze bevindingen nu betekenen en hoe zijn ze te beoordelen? Dat is alleen te bepalen vanuit een welgekozen interpretatie- en evaluatiekader. Om een aantal redenen hebben wij gekozen voor een perspectief, waarin de gerichtheid op participatie centraal staat. Deze keuze voor een participatiegerichte koers van het katholiek onderwijs is in belangrijke mate ingegeven door de wenselijkheid om een aantal valse dilemma’s te overwinnen, die ons inziens vooral voortkomen uit enerzijds een sterke particularisering en anderzijds een verstokte totalisering van de katholiciteit van katholieke scholen.
-
Gerichtheid op participatie
-
Wat bedoelen we in dit verband met gerichtheid op participatie? Ten eerste heeft dat zowel een actieve kant (deelnemen en een bijdrage leveren aan een groter geheel) als een receptieve of ontvangende kant (deel krijgen en een particulier deel ontvangen van een groter geheel). Bovendien zijn aan participatie naar beide kanten drie dimensies te onderscheiden, namelijk een sociale, een historische en een religieuze dimensie. Onder de sociale dimensie van participatie verstaan we de deelname van individuen aan grotere sociale verbanden zoals een gezin, een school, een bedrijf, een kerk etc. Met de historische dimensie bedoelen we de participatie nu in de actualiteit aan langer lopende historische processen zoals de ontwikkeling van de westerse cultuur of de christelijke traditie. En de religieuze dimensie van participatie betreft de deelname in deze wereld aan wat in de tweede Petrus-brief het goddelijk leven of de goddelijke natuur genoemd wordt. (2 Petr. 1, 4).
De gerichtheid op de eerste, namelijk sociale dimensie van participatie kan enerzijds helpen om de neiging te voorkomen of zo nodig te overwinnen om collectieve geloofsovertuigingen, -ervaringen, -wensen, -bedoelingen en activiteiten van individuele katholieken te herleiden tot de optelsom van (eventueel gelijke of gemeenschappelijke maar toch slechts) particuliere activiteiten, bedoelingen, wensen, ervaringen en overtuigingen. Anderzijds biedt het tegenwicht tegen totaliseringstendenzen die juist bestaan in de neiging om de particuliere bijdrage aan groepsactiviteiten of de particuliere deelname aan geloofsovertuigingen, die de gemeenschap van kerk, maatschappij, school en gezin betreffen, te herleiden tot wat men als gemeenschap, groep of team gelooft of wil doen, waarbij dat particuliere deel volledig afhankelijk wordt van en ondergeschikt aan het sociale geheel of collectief. Dat is namelijk collectivering en als zodanig de sociale dimensie van totalisering. Katholieken hebben die neiging soms sterk, omdat de gemeenschapsideologie bij katholieken nu eenmaal een belangrijke plaats inneemt in heel hun instelling, onder andere vanwege een meer collectivistische en hiërarchische traditie op ecclesiologisch vlak.
De tweede, namelijk historische dimensie van participatie is van belang om precies de historische dimensie van zowel particularisering als totalisering te bestrijden. Onder particularisering in historische zin verstaan we dan de neiging om onze bijdrage nu aan het geheel van de geschiedenis te herleiden tot de optelsom van afzonderlijke gebeurtenissen in verleden, heden en toekomst. Die neiging is bijvoorbeeld goed te herkennen in die benaderingen van katholiciteit, waarin men slechts waarde hecht aan de hedendaagse en eigentijdse relevantie van Bijbel en katholieke traditie. En met totalisering in historische zin bedoelen we dan de tegenovergestelde tendens, namelijk om juist alle actuele gebeurtenissen in een bepaalde tijd slechts te zien als min of meer toevallige instanties van het eeuwig gelijkblijvende geheel van waarheden; of in de neiging om elke verandering als verlies te beschouwen. Het zit ook in de reductie van herhaalbaarheid van regels op steeds andere wijze tot permanentie van wat erdoor geregeld wordt, zoals in fundamentalistische en behoudzuchtige benaderingen van katholiciteit en katholieke traditie.
En last but not least hebben particularisering en totalisering ook een religieuze dimensie. Particularisering in religieuze zin bestaat in de reductie van heel onze geschiedenis met God tot (een deel van) onze wereldse werkelijkheid, bijvoorbeeld als men spreekt over het religieuze domein van onze werkelijkheid of als men God beschouwt als gatenvuller in onze wereld. De totaliserende tegenhanger is bijvoorbeeld theologisch herkenbaar in vormen van pantheïsme en panentheïsme. Beide tendensen zijn reductief of minstens eenzijdig en doen geen recht aan de bijdrage van delen aan grotere gehelen en aan de deelname daaraan in receptieve zin. Een participatiegerichte benadering probeert dat wel te doen en probeert particuliere gerichtheden van individuele mensen nu in deze wereld niet alleen volledig serieus te nemen, maar ook te zien als middelen tot of gevolgen van gerichtheden op (steeds) grotere gehelen van sociale verbanden in onze langere geschiedenis met God. Daarbij gaat het uiteraard niet om participatie als een planbaar doel van opvoeding en onderwijs, maar slechts als een wenselijke doeloriëntatie, dus als dat punt, waar de concrete, operationele doelen (mede) op gericht worden. In verband met inspiratie is dat een belangrijk punt, omdat inspiratie immers niet verloopt volgens wetmatigheden en regels, zoals we boven al hebben aangegeven.
-
Zin om te participeren stimuleren
-
Wat men in dat licht nu op scholen kan proberen is de zin stimuleren om als individu hier en nu in deze wereld zowel in actieve als in receptieve zin te participeren aan die gezamenlijke geschiedenis met God. En precies voor dat accent op zingeving en zinvinding ligt een goed aanknopingspunt in de bevindingen van ons onderzoek. Daar bleek immers, dat juist uitdrukkelijke zingeving zoveel inspirerend effect bleek te hebben.
Uiteraard is dan wel de vraag wat zin in dit verband betekent. Hier gaan we er in elk geval van uit, dat zin niet hetzelfde is als betekenis. Die twee worden vaak ten onrechte vereenzelvigd. Want betekenis is niets anders dan de psychische representatie in het hoofd van mensen van een bedoelde, geplande, verlangde, ervaren, herinnerde of geloofde werkelijkheid. Betekenis kan verschillende vormen aannemen, maar zit in het hoofd. De zin van die representaties in het hoofd van mensen of van toestanden in de werkelijkheid is echter iets anders. Zo is de zin van een handeling is eigenlijk de mogelijkheid dat de bedoeling van die handeling gerealiseerd kan worden. Het is de kans van slagen. En de zin van een overtuiging is de mogelijkheid, dat die overtuiging waar is, dat wil zeggen, dat hij overeenkomt met de werkelijkheid, waarvan het een cognitieve representatie is. Zo is de zin van het leven de mogelijkheid, dat de activiteiten, die in dat leven verricht worden, overeenstemmen met de bedoelingen, plannen en verlangens, die men er mee heeft; en dat de overtuigingen, herinneringen en ervaringen, die men in en van dit leven heeft, kunnen kloppen met de werkelijkheid; in die zin dus reëel kunnen zijn.
Nu is het blijkbaar zo, dat het tonen van de zin, die leraren zelf zien in hun activiteiten en (geloofs-)overtuigingen, een hoge inspiratiewaarde heeft voor de leerlingen. En als dat zo is ligt hier een belangrijk aanknopingspunt voor een participatiegerichte oriëntatie van het werk, dat op katholieke scholen gebeurt. Inhoudelijk zou het dan namelijk belangrijk zijn om te laten zien welke zin het heeft om te participeren aan grotere gehelen. Dan zou men op school duidelijk moeten maken, dat meedoen met samenwerkingsverbanden daadwerkelijk kan helpen om samen plannen te kunnen realiseren, die afzonderlijke mensen in hun eentje nooit klaar kunnen krijgen; of dat bepaalde activiteiten, die men op dit moment verricht op langere termijn ook het effect kunnen hebben, dat men ermee beoogt; en misschien ook dat de realisering van zogenaamd hele profane projecten ook een religieuze zin hebben omdat ze een reële bijdrage kunnen leveren aan bijvoorbeeld de zoektocht naar Gods Rijk en zijn gerechtigheid.
-
Het probleem van de bijbeldidactiek
-
Bij dit alles blijkt wel een groot probleem te liggen in de behandeling van bijbelteksten. Het lukt ons, althans op katholieke scholen, kennelijk maar moeilijk om bijbelteksten op een erg zinvolle en inspirerende wijze ter sprake te brengen. In het licht van het voorafgaande kan men de vraag stellen of ook hiervan niet een belangrijke oorzaak kan liggen in de neiging tot enerzijds particularisering (bijvoorbeeld in de vorm van eenzijdig ‘actuele herinterpretatie’) en anderzijds totalisering (bijvoorbeeld in de vorm van fundamentalisme en het ‘bewijzen’ van eeuwige waarheden met bijbelteksten).
En als dat klopt is dan de positieve vraag of een oplossing voor deze problematiek niet te zoeken zou zijn in een meer participatie-gerichte behandeling, waarbij de zin van en in participatie meer als oriëntatiepunt dient. Kunnen bijbelteksten immers juist niet duidelijk maken, dat het kan lukken om als enkeling op dit moment in de geschiedenis van deze wereld te delen in en bij te dragen aan onze gezamenlijke geschiedenis met God? En als we dat meer centraal zouden stellen zou dat de leerlingen wellicht ook kunnen inspireren om zelf nu die bijdrage te leveren.
In ander verband heb ik dat idee iets nader proberen uit te werken naar de behandeling van fictionele bijbelteksten zoals het boek Job en de parabel van de werkers in de wijngaard. (zie A. de Jong, Bijbelse fictie behandelen in het godsdienstonderwijs, in: C.Hermans en Th. Van der Zee (red.), Religieuze verhalen ter sprake brengen in de klas en op school, Damon, Budel 2008, 25-67). Hierin heb ik vooral gewezen op het belang van imaginatie (verbeelding) als het gaat om actieve participatie in onze tijd aan de verdere toekomst. Fictionele bijbelteksten kunnen de leerlingen wellicht veel sterker er toe inspireren dan soms gedacht wordt om zelf veranderingen voor te stellen, die op termijn verbeteringen inhouden Dat zou bijvoorbeeld een reden kunnen zijn om bij de selectie van bijbelteksten niet zo eenzijdig te kiezen voor niet fictionele bijbel-verhalen.
.
-
Mogelijke inspiratie voor pastores
Nu is deze reflectie op het onderzoek nog sterk gericht geweest op de betekenis en waarde van de resultaten voor het onderwijs op katholieke scholen. De vraag is hier evenwel wat pastores eraan kunnen hebben voor hun pastorale werk. Ik zie vooral drie punten.
-
Door degelijk pastoraat
-
Op de eerste plaats denk ik, dat ook voor pastores geldt dat professionele vakkundigheid de belangrijkste kwaliteit is, die het mogelijk maakt, dat zij de mensen inspireren. Wat bij leraren vakkennis en pedagogisch-didactische kwaliteiten zijn is naar pastores vertaald deskundigheid op (praktisch) theologisch en communicatief gebied. Naarmate pastores meer van wanten weten als het om bijbelkennis, dogmatische en moraaltheologische inzichten, maar vooral ook liturgische en pastoraaltheologische kennis en vaardigheden gaat, hebben zij waarschijnlijk meer kans om andere mensen te inspireren. Van belang is daarbij uiteraard wel dat inhoudelijke deskundigheid gepaard gaat met methodische. Een preek bijvoorbeeld moet niet alleen theologisch inhoudelijk deugen, maar moet ook in retorisch en communicatief opzicht zo in elkaar zitten, dat de boodschap goed overkomt. In elk geval is hieruit af te leiden, dat charisma alleen niet genoeg is om te inspireren, ook niet in verband met leiderschap. Charisma zonder professionaliteit heeft waarschijnlijk veel minder kans te inspireren dan professionaliteit zonder charisma, al geldt ook hier uiteraard dat beide niet tegen elkaar uitgespeeld moeten worden .
Daarbij zal ook voor pastores waarschijnlijk het volgende opgaan. Naarmate die deskundigheid meer gepaard gaat met persoonlijke aandacht voor afzonderlijke mensen zullen zij hen en anderen gemakkelijker inspireren. Vooral de aandacht voor ‘achterblijvers’ zou hierbij wel eens een grote rol kunnen spelen. En bij achterblijvers hoeft men dan niet alleen te denken aan wie men wel de ‘sociaal zwakkeren’ noemt. Ook bijvoorbeeld degenen, die het moeilijk hebben met de vernieuwingen in kerk en maatschappij vragen bijzondere aandacht. Niet om hen alleen maar te bevestigen in hun hang naar ‘zekerheid en vrede’ om met bisschop Gijsen te spreken, maar ook en vooral om hen te helpen mee te kunnen.
De allerbelangrijkste les, die ook pastores kunnen trekken uit ons onderzoek lijkt me evenwel, dat het ongemeen belangrijk is om te laten zien welke zin (pastorale en andere ) activiteiten volgens jezelf als pastor hebben en goed duidelijk te maken welke zin het geloof voor jezelf en volgens jezelf als pastor heeft. Naarmate pastores er meer blijk van geven dat volgens henzelf pastorale plannen inderdaad kunnen slagen en geloofsovertuigingen werkelijk waar kunnen zijn is er meer kans op, dat zij de mensen met hun werk inspireren. In die zin is het eigen geloof van de pastor zijn of haar belangrijkste (inspiratie-)instrument. En met geloof
bedoel ik dan niet alleen zijn of haar religieuze overtuiging, maar de vaste verwachting, dat het zal lukken, wat men wil en dat waar zal blijken te zijn wat men verkondigt.
-
Inspireren tot zin om deel te nemen
-
Ook voor pastores lijkt me daarbij te gelden, dat gerichtheid op participatie een goed oriëntatiepunt is. Datgene waartoe ze mensen moeten proberen te inspireren zou zich noch moeten beperken tot louter particuliere activiteiten en (geloofs-)overtuigingen in deze tijd op deze wereld, noch tot eenzijdige onderworpenheid aan het geheel van kerkelijke tradities betreffende zoiets als de goddelijke bovennatuur. Ze zouden zich echter moeten richten op de zin van deelname aan grotere sociale verbanden, langer lopende processen en de goddelijke natuur. Want ook hier geldt, dat de zin om nu een eigen bijdrage daaraan te leveren en op dit moment in de geschiedenis daar deel aan te krijgen eenzijdigheden en valse dilemma’s kan voorkomen of zonodig kan overwinnen.
Wil juist ook het leiderschap van pastores inspireren tot die zin om te participeren dan moeten ze niet alleen aandacht besteden aan wat ik maar de particuliere component noem in de zin van prive-overtuigingen betreffende het eigen (religieuze) leven op dit moment in deze wereld. Ik wil dat hier beklemtonen, omdat ik denk, dat de recente geschiedenis van pastoraat en pastoraaltheologie wel aanleiding geeft tot die eenzijdigheid. Vanaf de zestiger jaren is men immers steeds sterker de nadruk gaan leggen op het belang van persoonlijk geloof, op het inbrengen van de eigen persoon in het pastoraat, op het feit dat geloof een kwestie is van persoonlijke keuzes maken op grond van eigen ervaringen en overwegingen. Op zich is dat allemaal terecht, maar het houdt tegelijk het risico in van particularistische eenzijdigheid. Later heeft men daarom wel naar verbreding gezocht, onder andere door meer aandacht te besteden aan de maatschappelijke en kerkelijke context van geloof en pastoraat. Dat was een goede correctie op de neiging tot een wat al te tijdeloze en onhistorische invulling van het evangelie, van geloof en pastoraat. Maar ook daar is een zeker particularisme in geslopen, zij het nu meer van historische aard. De relevantie van geloof en pastoraal voor de huidige tijd kreeg zoveel accent, dat traditio en lange termijn ontwikkelingen, ook naar de toekomst toe, daaraan vaak ondergeschikt gemaakt werden en soms zelfs daartoe herleid. ‘Het enige wat echt telt is het nu en de waarde voor deze tijd’ leek het devies, om het wat overdreven te formuleren. En de laatste jaren is daar een vorm van secularisering bijgekomen, die ook het geloof en pastoraat zelf soms wel erg eenzijdig ‘werelds’ dreigt te maken. Uiteraard kan geloof en pastoraat niet reëel genoeg zijn en is het prima om alle wereldvreemdheid te vermijden. Maar het gaat ook, en eigenlijk op de eerste plaats om God, zijn Rijk en de relatie tussen de wereld en God.
Daarom verdient het aanbeveling om behalve aan de particuliere componenten van geloof en pastoraat eerst en vooral aandacht te besteden aan de collectieve, historische en religieuze componenten. En eigenlijk zou vooral de relatie tussen die particuliere en die andere componenten het hoofdaccent moeten krijgen. Laat ik dat met een paar voorbeelden verduidelijken. Beklemtoning van geloof als een zaak van persoonlijke keuze zou men sterker in kunnen vullen als de persoonlijke keuze voor deelname aan samenwerkingsverbanden, aan vrijwilligersorganisaties en bijvoorbeeld ook aan kerkelijke activiteiten. Bij dat laatste zou men dan niet alleen moeten stimuleren dat mensen hun eigen sterke kanten inbrengt in projecten, waarbij zelf geen inspraak hebben in wat men samen wil bereiken. Maar dan zou men ook de individuele deelnemers moeten laten meebepalen wat dat collectieve doel is en vooral wat zij precies aan het bereiken van dat doel willen bijdragen. Heel concreet denk ik nu aan de deelname aan kerkkoren. Uit ervaring als lid van een kerkbestuur ken ik maar al te goed de neiging van de zangers en zangeressen om de eigen zang belangrijker te vinden dan de bijdrage, die men levert aan de (collectieve) liturgie. Pastoraal leiderschap dat er op gericht is mensen te inspireren tot zin om echt te participeren zou er aan kunnen werken, dat mensen juist in dienst van de collectieve liturgie hun zangtalenten inzetten. Maar daarvoor moeten ze dan wel mee kunnen beslissen hoe die liturgie het beste er uit kan zien. Ik weet uiteraard ook wel, dat hiermee conflicten onvermijdelijk zijn. Maar dat is eerder een reden tot professionele conflictbeheersing aan de kant van pastores dan tot beperking van de participatie tot louter inpassing in door anderen bepaalde collectieve doelen. Het is slechts één voorbeeld en dan nog alleen van de sociale dimensie van participatie.
-
Aan onze geschiedenis met God
-
Waar het uiteindelijk echter om gaat is de participatie van afzonderlijke mensen aan kerkelijke en maatschappelijke verbanden, die zelf ook weer deel uitmaken van grotere gehelen. De parochie, de katholieke kerk, het christendom is er immers niet alleen voor zichzelf, maar maakt zelf ook deel uit van de gezamenlijke zoektocht van de mensheid naar waarheid en geluk voor allen. In christelijke termen heet dat heil of Gods Rijk en zijn gerechtigheid. Daar moet ons pastoraat uiteindelijk op gericht zijn en als het even kan toe inspireren. Volgens mij kan dat tegenwoordig niet anders dan door ook in het pastoraat te werken aan interreligieuze communicatie en coöperatie. Daar zou ik ook in dit verband graag nog extra een lans voor willen breken.
Daar ligt ook een punt van historisch belang. Dit is immers een zaak, waarbij we juist in onze tijd kunnen bijdragen aan een langer lopende historische ontwikkeling van toenadering van verschillende religies in plaats van strijd en geweld. Mij lijkt, dat pastores dit teken van de tijd zouden moeten verstaan als een oproep om mensen te inspireren tot zin om juist nu deel te nemen aan dat lange termijn project van een gezamenlijke geschiedenis in plaats van zoiets als een ‘clash of civilations’ (and religions).
En als ik hier nu zelf de leden van de V.P.W. tot iets zou willen proberen te inspireren is het precies hiertoe, dat zij de zin ervan zien en daardoor er zin in krijgen om in deze wereld te participeren aan die gezamenlijke geschiedenis als een geschiedenis met God of nog beter als een geschiedenis van goddelijk leven. In de tweede Petrus-brief wordt die participatie slechts naar de receptieve kant ingevuld: het gaat daar om het deel krijgen aan dat goddelijk leven. (2 Petrus 1,4). Ik geloof persoonlijk echter vast, dat we dat uit mogen en moeten breiden naar de actieve kant van participatie. Het gaat er ook om dat we ook op dit moment in de geschiedenis samen een bijdrage leveren aan dat goddelijk leven, onder andere door in ons
pastoraat anderen daartoe te inspireren. Hopelijk geeft ons onderzoek ook daartoe een kleine stimulans.