Ton Meijers, canonist KTU,
met ons in gesprek over: “Ambt en wijding in kerkjuridisch perspectief”
Op 11 oktober 2007 was Ton Meijers onze speciale gast in de vergaderzaal van de Moeder Godskerk te Roosendaal. Wij hadden hem gevraagd om op onze algemene ledenvergadering een nadere toelichting te geven op het vrij compacte artikel van zijn hand in VPWinfo 2007 no3, pg 2425, met dezelfde titel. Ondanks zijn overvolle agenda wist hij voor ons toch nog bijna twee uur vrij te maken. Zijn uiteenzetting liep al gauw uit op een gesprek, waardoor wij het hebben ervaren als een belevenis. Het heeft ons geholpen om de positie van de pastoraal werker op het snijpunt van het kerkelijk en burgerlijk recht beter in het vizier te krijgen. Hieronder volgt het verslag.
1. De positionering van de pastoraal werker PW
De vaagheid van het statuut van de PW is niet kenmerkend voor de RK kerk. Ook de PKN, de Lutherse kerk en de Anglicaanse kerk vertonen hetzelfde fenomeen: bestaande ambten zijn duidelijk geprofileerd, gewijdzijn houdt een incardinatie in, met vóór en nadelen, maar jonge ambten, nietgewijdzijn, betekent geconfronteerd worden met een aantal onduidelijkheden, die uiteraard vragen oproepen. In het geval van de PW echter betekent het tevens dat dit ambt nog de nodige speelruimte heeft om zich verder te ontwikkelen.
Hier ligt al meteen een keuzemogelijkheid: wil je de positie van de PW vergelijken met die van de acoliet, lector, enz., dus met het karakter van een “kleine wijding”, alleen canoniek ondersteund, waarbij je dan automatisch denkt aan een soort van incardinatie, of wil je dit ambt verbinden met je doopsel en met de zending van de bisschop, waarbij je tegelijkertijd qua rechtspositie steunt op je arbeidsovereenkomst, die op haar beurt ondersteund wordt door het Nederlandse arbeidsrecht, zodat je dan én canoniek én arbeidsrechtelijk grond onder de voeten krijgt. Gezien de terughoudendheid van Rome jegens de PW “in de buurt van wijding en van het sacrament” raadde Ton ons de laatste mogelijkheid aan, die in feite in Nederland al gepraktiseerd wordt. Dat is ook in het belang van de PW zelf, want door middel van een vierde wijdingsgraad ingekaderd worden in de kerkelijke hiërarchie is weinig aanlokkelijk. In andere kerkgenootschappen kent men een dergelijke hiërarchie niet: alle functies zijn daar gelijkwaardig. Voor ons zou het er dan om gaan, dat de PW erkend wordt als op bijzondere wijze deelhebbend aan het werk van de bediening (ministerium), op grond van het algemeen priesterschap van alle gelovigen: ministerium in de uitgebreide zin van het woord dus. In dit verband wees Ton op de merkwaardigheid dat het Engelse woord “ministery” gebruikt wordt voor allerlei soorten kerkelijk werk en dat de pastorale constitutie “Gaudium et Spes” over de kerk in de wereld van vandaag het al evenzeer heeft over het dienstwerk (ministerium) van alle christengelovigen. Omdat “ministerium” een rekbaar begrip blijkt, is er ruimte om in die richting te werken.
Ton oordeelt positief over “Meewerken in het pastoraat” (1999), omdat de bisschoppen in dat stuk voor het eerst als college het ambtvan PW erkennen. Toch moeten we ons ook weer niet rijk rekenen: “ambt” wil niet minder, maar ook niet méér zeggen dan dat de PW recht heeft op een bijzondere positie in de kerkelijke gemeenschap, omdat hij/zij het werk in de kerk publiekelijk uitoefent. Dat werkheeft dus een organieke positie nodig, wat nog niet de rechtspositie van de man/vrouw die het uitoefent inhoudt. De CIC zegt enkel datfuncties geregeld moeten worden. MihP is dus een stapje in de goede richting, al blijft het jammer dat de nadruk op de rechtspositie in dat stuk zo sterk in het teken staat van het lekenkarakter van de functie van PW: mééwerken, vóórwerk verrichten, dus strikt genomen géén pastoraal werk verrichten, terwijl de term PW ánders suggereert. Dit strookt niet met de werkelijkheid, aldus Ton: het gaat om werk op het snijvlak van kerk en samenleving, dienstwerk dus, ministerium, waarbij het sacrum het saeculum doordringt, helemaal in de geest van Gaudium et Spes. Er is sprake van discrepantie: wél verantwoordelijkheid dragen voor de voortgang van het pastorale werk, maar géén ‘pastor’ genoemd mogen worden. “Dit voelt niet goed”, aldus Ton. Dit ambt moet blijkbaar nog uitkristalliseren.
Daar komt nog bij dat de inschakeling van de PW van een in oorsprong kerkprovinciale aangelegenheid teruggebracht is naar het niveau van het bisdom, waardoor de verschillen in aanstelling, functies, taken en bevoegdheden alsmaar groter worden. Limburg bijvoorbeeld is met een eigen opleiding voor PW’s begonnen. In Den Bosch kun je alleen 2e lijnswerker zijn. In het ene bisdom blijf je na je pensionering met het bisdom verbonden, in het andere worden de banden verbroken, als je geen arbeidsovereenkomst meer hebt. “Catechist ben je voor je leven”, stelde Ton ten voorbeeld, “je wordt dan temidden van je medegelovigen in een liturgische viering in je ambt bevestigd, zoals dat met name in Zwitserland en Duitsland gebeurt”. Maar dan doemt ook meteen de vraag op, of het wel zo verstandig is om je al te nauw met de kerkelijke hiërarchie te identificeren. Het onderbrengen van alle PW’s in een koepel (Groningen, Haarlem) roept dan ook vragen op die rechtstreeks verband houden met het statuut van ons beroep. Een gezamenlijke presentatie van nieuwe PW’s op diocesaan niveau is weer een andere, meer interessante, mogelijkheid.
2. Zelfverstaan
De voordracht van Ton was intussen een gesprek geworden. We stootten op een opmerkelijk punt: het zelfverstaan, waarbij we onderscheid kunnen maken tussen het zelfverstaan van de PW en dat van de geloofsgemeenschap. Christologisch gezien is het “tegenover” van Christus in het priesterschap belichaamd; in de loop der eeuwen is het steeds nadrukkelijker geclericaliseerd: de PW moet zich daaraan niet meten, hij/zij moet zich niet etaleren als een Ersatzpriester, noch moet hij/zij meezingen in het koor van “het priestertekort”. Nemen we het voorgaan in de eucharistie als wijdingscriterium, dan zou een stad als Roosendaal aan één priester genoeg hebben, als je dit koppelt aan twee uur reistijd voor de kerkganger als het officiële praktische criterium! Het “tegenover” werd ook steeds nauwer verbonden met de beslissingsbevoegdheid van pastoor/bisschop/paus. De PW moet dat niet imiteren. Identificatie met “het priestertekort” levert een onmiddellijke associatie op met de zogenaamde “klapstoeltjestheorie”: verantwoordelijkheden, functies, taken, bevoegdheden worden daar dan afhankelijk van.
In verband met het zelfverstaan werd ook genoemd het vormen van kringen van PW’s in het bisdom Utrecht, waarbinnen de verschillende beroepsattitudes kunnen worden gecommuniceerd. Op die manier kan de ruimte voor de ontwikkeling van het pastorale beroep worden benut én vergroot. Dat is nodig, want de introductie van de PW in de 70er jaren heeft plaatsgevonden zonder dat een profiel van de parochiepastor voorhanden was en zonder dat het pastorale beroep als zodanig was geprofessionaliseerd.
3. Sacramentaliteit, roeping, spiritualiteit
Talloze onderwerpen blijven de aandacht trekken: van theologische items als de sacramentaliteit, roeping en spiritualiteit van het pastorale beroep, tot praktische zaken als de erkenning van de pastorale beroepsgroep door de bisschoppen en de vraag naar het waarom van bepaalde diocesane keuzen en maatregelen. Zou het allemaal een beetje meer doordacht en gestructureerd kunnen? Iets minder willekeur mag ook!
NB Door dit verslag op de website van de VPWNederland te plaatsen hopen wij dat het gesprek
over dit onderwerp ook in de andere afdelingen voortgang blijft vinden.
Frans Vermeulen, notulist, VPWBreda, tel. 0165 – 534506, Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.